ECLI:NL:HR:2025:228
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/03441 PJV Datum 18 februari 2025 PREJUDICIËLE BESLISSING op de door de rechtbank Oost-Brabant bij beslissing van 20 augustus 2024, nummer 82-101840-23, gestelde rechtsvragen in de zaak van [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002, hierna: de verdachte.
1Procesverloop bij de Hoge Raad De rechtbank Oost-Brabant heeft bij beslissing van 20 augustus 2024 prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad. Er zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door het openbaar ministerie, en door P.J. Verbeek, advocaat te Ede, namens de verdachte.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft conclusie genomen.
2De prejudiciële vragen De rechtbank Oost-Brabant heeft de volgende prejudiciële vragen gesteld: “1. Is sprake van (een vorm van) een specialiteitsverhouding tussen art. 197a, tweede lid, en art. 197b Sr? a. Zo ja, wat voor specialiteitsverhouding bestaat er tussen art. 197a, tweede lid, en 197b Sr? b. Zo nee, hoe moet de toelichting van de wetgever in de MvT (Kamerstukken II 1994-1995, 24 269, nr. 3, blz. 3) met betrekking tot het ‘geprivilegieerd delict’ worden opgevat?
3Feitelijke context 3.1 De rechtbank Oost-Brabant stelt de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen in een zaak waarin, kort gezegd, de verdachte als indirect bestuurder van [A] B.V. in Nederland vier personen met de Turkse nationaliteit heeft tewerkgesteld als vrachtwagenchauffeur. Het verblijf van deze personen in Nederland zou wederrechtelijk zijn geworden door het verrichten van arbeid in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen, nu zij niet in het bezit waren van een tewerkstellingsvergunning of een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid.
3.2 Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: “Feit 1 hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 juni 2020 tot en met 31 augustus 2020 te Hoogland, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of alleen, vier personen, te weten [betrokkene 1] met de Turkse nationaliteit en/of [betrokkene 2] met de Turkse nationaliteit en/of [betrokkene 3] met de Turkse nationaliteit en/of [betrokkene 4] met de Turkse nationaliteit, in elk geval één of meer perso(o)n(en) met de Turkse nationaliteit, uit winstbejag behulpzaam is/zijn geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, dan wel voornoemde perso(o)n(en) (telkens) daartoe gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft/hebben verschaft, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk was, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] arbeid laten verrichten voor het door verdachte en/of zijn mededader(s) gedreven bedrijf [A] B.V. en hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) aldus van het plegen van dit misdrijf zijn beroep en/of een gewoonte heeft gemaakt;
Artikel 197a lid 2 Wetboek van Strafrecht Artikel 197a lid 4 Wetboek van Strafrecht Artikel 47 Wetboek van Strafrecht Feit 2 Primair hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 juni 2020 tot en met 31 augustus 2020 te Hoogland, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of alleen, vier personen, te weten [betrokkene 1] met de Turkse nationaliteit en/of [betrokkene 2] met de Turkse nationaliteit en/of [betrokkene 3] met de Turkse nationaliteit en/of [betrokkene 4] met de Turkse nationaliteit, in elk geval één of meer perso(o)n(en) met de Turkse nationaliteit, die zich wederrechtelijk toegang tot of verblijf in Nederland had(den) verschaft, krachtens overeenkomst of aanstelling arbeid heeft doen verrichten, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat de toegang of dat verblijf wederrechtelijk was, en hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) aldus van het plegen van dit misdrijf een beroep en/of een gewoonte heeft gemaakt;
Artikel 197c Wetboek van Strafrecht Artikel 197b Wetboek van Strafrecht Artikel 47 Wetboek van Strafrecht Subsidiair hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 juni 2020 tot en met 31 augustus 2020 te Hoogland, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of alleen, vier personen, te weten [betrokkene 1] met de Turkse nationaliteit en/of [betrokkene 2] met de Turkse nationaliteit en/of [betrokkene 3] met de Turkse nationaliteit en/of [betrokkene 4] met de Turkse nationaliteit, in elk geval een of meer perso(o)n(en) met de Turkse nationaliteit, die zich wederrechtelijk toegang tot of verblijf in Nederland had(den) verschaft, krachtens overeenkomst of aanstelling arbeid heeft doen verrichten, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat de toegang of dat verblijf wederrechtelijk was;
Artikel 197b Wetboek van Strafrecht Artikel 47 Wetboek van Strafrecht.”
4Juridisch kader Wetgeving 4.1 De volgende bepalingen zijn van belang.
Wetsgeschiedenis 4.2 De wetsgeschiedenis die van belang is voor de beantwoording van de prejudiciële vragen, is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal. In het bijzonder zijn de volgende passages van belang.
Wij hebben dit artikel 27 «vertaald» in een in te lassen artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht. (...) In dit artikel 197a wordt straf bepaald tegen degene die een ander uit winstbejag behulpzaam is bij het zich verschaffen van toegang of verblijf in Nederland of het Schengen-grondgebied terwijl die toegang of dat verblijf strijdt met het objectieve vreemdelingenrecht. Dus: verblijf zonder dat toelating is verkregen. In artikel II van het voorliggend ontwerp breiden wij de aansprakelijkheid ingevolge artikel 197a uit ten laste van de werkgever of diegeen die uit hoofde van een aanstelling »illegale arbeid« doet verrichten.
Bij deze aanvulling van het Wetboek van Strafrecht gaan we ervan uit dat extraterritoriale rechtsmacht gevestigd moet worden. (...) Dit extraterritoriale karakter van het door ons te bestrijden verschijnsel noodzaakt ons om te zien naar een ander wettelijk instrumentarium dan de Wet arbeid buitenlandse werknemers (Stb. 1978, 737, hierna: WABW) ons kan bieden. De WABW vestigt in artikel 4 een vergunningenstelsel via de tot de werkgever gerichte materiële verbodsnorm, dat het verboden is zonder vergunning van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een vreemdeling arbeid te doen verrichten. (...) Overigens is de behoefte om deze leemten in de rechtshandhaving op te heffen niet de enige reden, waarom wij de voorgestelde oplossing bepleiten. Wij menen dat er grond is voor de wetgever, zijn norm(her)oriënterende taak op zich te nemen. (...) 8. De strafbepalingen ten laste van de werkgevers Resteert nog een bespreking van de strafbepalingen tegen diegenen die uit winstbejag een vreemdeling behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van toegang tot of verblijf in Nederland, wetende, of ernstige redenen hebbende om te vermoeden, dat de toegang of het verblijf van de vreemdeling hier te lande wederrechtelijk is.
De strafbepalingen borduren, zoals aangegeven, verder op artikel II, onderdeel B van de uitvoeringswet-Schengen. Daarin wordt een nieuw artikel 197a Sr voorgesteld in het bijzonder gericht tegen diegene die een ander uit winstbejag behulpzaam is bij het zich verschaffen van toegang tot of verblijven in Nederland, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat de toegang of dat verblijf wederrechtelijk is. Dat artikel 197a heeft mede betrekking op toegangsverschaffing of verblijf tot of in een staat, die gehouden is mede ten behoeve van Nederland grenscontrole uit te oefenen. Deze uitbreiding is het gevolg van de omstandigheid, dat het hier gaat om een implementatie van een verplichting voortvloeiend uit de Uitvoeringsovereenkomst-Schengen.
Via de voorgestelde artikelen 197b en 197c worden gekwalificeerde strafbedreigingen ingevoerd ten laste van diegenen die als werkgevers illegale vreemdelingen gelegenheid geven tot wederrechtelijke toegang of verblijf hier te lande of die daarvan een beroep of gewoonte maken.
De hierbedoelde gedragingen, waarbij een wederrechtelijk verblijf of onrechtmatige toegangsverschaffing van vreemdelingen wordt begunstigd, zijn niet langer te beschouwen als zuiver ordeningstechnische delicten, als hoedanig zij wel beschouwd worden in het kader van artikel 4 WABW. Het gaat hier om vergrijpen, die zich in wezen richten tegen de openbare orde en die een acute gevaarzetting opleveren voor de publieke kas. In het op 18 maart 1991 uitgebrachte eindrapport van de Commissie Binnenlands Vreemdelingentoezicht is in Hoofdstuk VI uitvoerig ingegaan op de maatschappelijk onaanvaardbare aspecten van illegale tewerkstelling van vreemdelingen. Wij onderschrijven de slotsom van de Commissie dat het systeem van publieke rechtshandhaving op dit punt sluitend moet zijn, waarbij een aanmerkelijke verhoging van de strafmaat van groot belang is. De huidige strafvorderingspraktijk heeft, gelijk de ervaring leert, beslist onvoldoende afschrikwekkende werking. (...) In de regeringsreactie op het rapport van de Commissie Binnenlands Vreemdelingentoezicht gaf de regering al te kennen dat het tewerkstellen van illegale vreemdelingen als zodanig een op misdrijfniveau te waarderen normschending moet opleveren, met alle strafbedreiging van dien (Kamerstukken II, 22 146, nr 1, p 19, 4e alinea). Dit gebeurt in het voorliggend ontwerp met name in artikel 197b, waar in het bijzonder – op gekwalificeerde wijze – wordt strafbaar gesteld degeen die een ander, die zich tot Nederland wederrechtelijk toegang of verblijf heeft verschaft, krachtens overeenkomst in een onderneming van handel of nijverheid arbeid doet verrichten, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat de toegang of het verblijf wederrechtelijk is.” (Kamerstukken II 1991/92, 22735, nr. 3, p. 1, 7-9, 37.)
5.1.2 Artikel 197b Sr bevat immers niet alle bestanddelen van artikel 197a lid 2 Sr, terwijl de onder 4.2 genoemde wetsgeschiedenis geen dwingende aanknopingspunten bevat voor de opvatting dat artikel 197b Sr niettemin moet worden beschouwd als zo’n bijzondere strafbepaling. Daarbij neemt de Hoge Raad mede in aanmerking dat in die wetsgeschiedenis weliswaar tot uitdrukking is gebracht dat “de artikelen 197b en 197c voortaan als een geprivilegieerd delict moeten worden beschouwd ten opzichte van artikel 197a”, maar dat die opmerking is gemaakt in de context van de – negatief beantwoorde – vraag of ook aanpassing van het strafmaximum in artikel 197b Sr was aangewezen, en dat mede gelet daarop die opmerking tegen de achtergrond van die wetsgeschiedenis als geheel, onvoldoende dwingend is om aan te nemen dat artikel 197b Sr een bijzondere strafbepaling vormt ten opzichte van artikel 197a lid 2 Sr. Zo wordt in de betreffende memorie van toelichting over de context van artikel 197b Sr ook opgemerkt dat het een bepaling betreft met “een geheel andere achtergrond”.
5.2 Nu de eerste prejudiciële vraag ontkennend wordt beantwoord, is het niet nodig de tweede en derde prejudiciële vraag te beantwoorden.
6Beslissing De Hoge Raad beantwoordt de prejudiciële vragen op de onder 5 weergegeven manier.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma, C. Caminada, T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 februari 2025.