HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 24/00420 Datum 7 maart 2025 ARREST in de zaak van [X] B.V. (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 9 januari 2024, nr. BK-22/969, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 21/1147) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen, en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente. 1Geding in cassatie Belanghebbende, vertegenwoordigd door S.M. Bothof, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 26 april 2024 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie. 2Uitgangspunten in cassatie 2.1 Belanghebbende heeft in 2017 een gebruikte personenauto (hierna: de personenauto) doen registreren in het Nederlandse kentekenregister. Met het oog daarop heeft belanghebbende op aangifte een bedrag aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) voldaan. Volgens de aangifte vertoonde de personenauto meer dan normale gebruiksschade en heeft belanghebbende de volgens artikel 10, leden 1 en 2, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (tekst 2017; hierna: de Wet) verschuldigde bpm berekend met gebruikmaking van de gegevens van een door een taxateur uitgevoerd onderzoek en het daarvan door die taxateur opgemaakte taxatierapport. 2.2 Nadat de dienst Domeinen Roerende Zaken op verzoek van de Inspecteur de personenauto alsmede de in de aangifte en het taxatierapport vermelde gegevens had gecontroleerd, heeft de Inspecteur op basis van de bevindingen van die controle belanghebbende op 22 mei 2019 een naheffingsaanslag opgelegd. De naheffing was onder meer erop gegrond dat de taxateur de taxatiewaarde van de personenauto te laag heeft geschat. Voor de naheffing heeft de Inspecteur de taxatiewaarde van de personenauto bepaald door op een in de koerslijst van XRAY vermelde handelsinkoopwaarde van € 42.027 voor een gelijksoortige personenauto in onbeschadigde staat een bedrag wegens schade in mindering te brengen. 2.3 Namens belanghebbende heeft een beroepsmatig optredende rechtsbijstandverlener (hierna: de gemachtigde) bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag. Bij uitspraak op bezwaar van 1 augustus 2020 heeft de Inspecteur dat bezwaar afgewezen. Tegen de uitspraak op bezwaar heeft belanghebbende beroep ingesteld. 2.4 Voor de Rechtbank was onder meer in geschil de hoogte van de op de voet van artikel 10, leden 1 en 2, van de Wet in aanmerking te nemen vermindering aan bpm. Niet was in geschil dat de bevonden schade meer behelsde dan normale gebruiksschade en dat de vermindering aan bpm kan worden bepaald met gebruikmaking van de taxatiemethode. Belanghebbende stelde voor de Rechtbank – voor het eerst – dat zij de taxatie van de handelsinkoopwaarde van de personenauto in onbeschadigde staat wilde baseren op de koerslijst van EurotaxGlass’s (hierna: de koerslijst van Eurotax), en de koerslijstwaarde voor een daarin voorkomende gelijksoortige personenauto wilde verminderen met 15 procent tot € 37.664, vanwege de in die koerslijst tot 4 oktober 2021 opgenomen mogelijkheid om bij de waardebepaling rekening te houden met de factoren ‘marktsituatie’ en ‘marktsituatie handelaar’. De Inspecteur heeft zich daarmee akkoord verklaard. Ook heeft de Inspecteur het standpunt van belanghebbende gevolgd dat zij recht heeft op een verdere vermindering van de verschuldigde bpm vanwege een zogenoemde extra leeftijdskorting. 2.5 De Rechtbank heeft bij uitspraak van 30 augustus 2022 het beroep gegrond verklaard op de hiervoor vermelde gronden, de uitspraak op bezwaar vernietigd, en de naheffingsaanslag verminderd. Daarbij heeft zij belanghebbende een vergoeding toegekend voor de kosten die verband hielden met de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, maar uitsluitend op de voet van artikel 8:75, lid 1, Awb voor kosten die verband hielden met de behandeling van het beroep. Voor een vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar op de voet van artikel 7:15, lid 2, Awb heeft de Rechtbank geen aanleiding gezien. De Rechtbank heeft hiertoe overwogen dat het beroep uitsluitend is gegrond vanwege de hiervoor in 2.4 bedoelde toepassing van de koerslijst van Eurotax en een extra leeftijdskorting, terwijl belanghebbende deze standpunten niet al in de bezwaarfase aan de orde heeft gesteld. 2.6.1 Het Hof heeft – in cassatie niet bestreden – geoordeeld dat er geen reden is om de naheffingsaanslag zoals door de Rechtbank vastgesteld, verder te verminderen. 2.6.2 Verder heeft het Hof geoordeeld dat de beslissing van de Rechtbank om belanghebbende niet een vergoeding toe te kennen voor de kosten van verleende rechtsbijstand in verband met de behandeling van het bezwaar, juist is. Daartoe heeft het Hof onder meer overwogen dat de Hoge Raad in het arrest van 15 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1783, weliswaar heeft geoordeeld dat met de hiervoor in 2.4 genoemde factoren in de koerslijst van Eurotax rekening mag worden gehouden, maar dat de taxateur van belanghebbende voor toepassing van die factoren geen aanleiding heeft gezien. De Inspecteur valt ter zake van de naheffing ook niet een onrechtmatigheid als bedoeld in artikel 7:15, lid 2, Awb te verwijten, aldus het Hof. Anders dan belanghebbende heeft gesteld, kan naar het oordeel van het Hof uit het arrest van de Hoge Raad van 23 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:440, niet worden afgeleid dat de Inspecteur verplicht is om zelfstandig op zoek te gaan naar gegevens die tot een gunstiger resultaat voor de belastingplichtige kunnen leiden. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag dan ook mogen opleggen zonder rekening te houden met de factoren ‘marktsituatie’ en ‘marktsituatie handelaar’ in de koerslijst van Eurotax. 3Beoordeling van de klacht 3.1 De klacht richt zich tegen de hiervoor in 2.6.2 weergegeven oordelen van het Hof. Het Hof heeft miskend, aldus de klacht, dat de Inspecteur op grond van artikel 110 VWEU is gehouden ervoor te waken dat met de heffing van bpm niet wordt getreden buiten de grenzen van artikel 110 VWEU. Deze last brengt mee dat de Inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslag ook de factoren ‘marktsituatie’ en ‘marktsituatie handelaar’ als waardedrukkende factoren in aanmerking had moeten nemen. De klacht vindt voor dit standpunt steun in de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 september 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.