ECLI:NL:HR:2025:628
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 23/02198 J Datum 22 april 2025 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 24 mei 2023, nummer 20-002546-21, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001, hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat H.M.W. Daamen bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging en de last tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 3 maart 2020 opgelegde voorwaardelijke straf.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2Beoordeling van de cassatiemiddelen De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof 3.1 Het hof heeft in plaats van een bevel tot tenuitvoerlegging van de eerder bij vonnis van de rechtbank Limburg van 3 maart 2020 opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie van 297 dagen, de tenuitvoerlegging van een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 240 uren, te vervangen door 297 dagen jeugddetentie, gelast.
3.2 De volgende bepalingen zijn van belang.
3.3 Op grond van artikel 6:6:21 lid 2 Sv kan de rechter een taakstraf gelasten in plaats van een last te geven tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke vrijheidsstraf. Op de gronden vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5.10 tot en met 5.18 berust het op een kennelijke misslag van de wetgever dat in deze bepaling de artikelen 77m lid 2 en 77n lid 3 Sr niet van overeenkomstige toepassing zijn verklaard. Artikel 6:6:21 lid 2 Sv moet daarom verbeterd worden gelezen. Dat brengt mee dat in zaken waarin het strafrecht voor jeugdigen is toegepast, bij de omzetting van een eerder opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie in een taakstraf (bestaande uit een werkstraf), de duur van de taakstraf ten hoogste tweehonderd uren is, de vervangende jeugddetentie, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, ten hoogste vier maanden beloopt en dat voor elke twee uren van de taakstraf niet meer dan één dag vervangende jeugddetentie wordt opgelegd. (Vgl., over artikel 22d lid 3 Sr, HR 22 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1411.) 3.4 De Hoge Raad zal de uitspraak van het hof ambtshalve vernietigen ten aanzien van de duur van de – in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke jeugddetentie – gelaste taakstraf en de daaraan verbonden vervangende jeugddetentie. De Hoge Raad zal zelf bepalen dat de in plaats van een last tot tenuitvoerlegging gelaste taakstraf, bestaande uit een werkstraf, tweehonderd uren, subsidiair honderd dagen jeugddetentie, beloopt.
3.5 Opmerking verdient nog dat in toekomstige gevallen, waarin bij beslissingen over de omzetting van de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie in een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, en de duur van de vervangende jeugddetentie het voorgaande wordt miskend, sprake is van een kennelijke misslag die zich bij uitstek leent voor herstel door het hof zelf. Het gaat dan immers om een onmiddellijk kenbare fout die zich voor eenvoudig herstel leent door de rechters die op de zaak hebben gezeten, overeenkomstig de beslissingen van de Hoge Raad in de arresten van 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ7243 en 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1478. Deze manier van herstel verdient de voorkeur, omdat daardoor op korte termijn en op een eenvoudige manier ondubbelzinnig duidelijkheid ontstaat over de voor tenuitvoerlegging vatbare straffen. Wanneer in zo’n geval – naast het doen van het verzoek om een herstelarrest – ook cassatieberoep is ingesteld, kan dat beroep worden ingetrokken zodra het herstelarrest is gewezen.
3.6 Verder doet de Hoge Raad in deze zaak waarin het strafrecht voor jeugdigen is toegepast, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de door het hof opgelegde jeugddetentie van 286 dagen.
4Beslissing De Hoge Raad:
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 april 2025.