ECLI:NL:HR:2025:722
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/00620 Datum 13 mei 2025 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 15 februari 2024, nummer 23-002096-22, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000, hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M.D. Rijnsburger bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
Namens de [benadeelde] heeft de advocaat O.F. Qane een schriftuur ingediend. Die is echter pas bij de griffie van de Hoge Raad ingekomen nadat de daarvoor in de wet gestelde termijn was verlopen. De Hoge Raad zal daarom op deze schriftuur geen acht slaan.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot, indien aangewezen, verwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2Beoordeling van het eerste cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt dat het hof ten onrechte artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) buiten toepassing heeft gelaten.
2.2 Het hof heeft de verdachte voor de op 12 december 2019 gepleegde feiten “medeplegen van moord” en “medeplegen van poging tot moord” veroordeeld tot een gevangenisstraf van 28 jaren. Het hof heeft over de strafoplegging onder meer overwogen: “8.3 Overwegingen van het hof 8.3.1.
Artikel 63 Sr (...) Kort samengevat komt de wettelijk regeling in beginsel erop neer dat:
Het hof overweegt dat de regeling van artikel 63 Sr in samenhang met artikel 57 Sr in beginsel tot de conclusie leidt – nu rekening gehouden moet worden met de niet-onherroepelijke veroordeling tot 20 jaar gevangenisstraf – dat in de voorliggende zaak maximaal een tijdelijke gevangenisstraf van 10 jaar kan worden opgelegd.
Zoals hierna zal worden overwogen acht het hof gelet op de ernst van de feiten een gevangenisstraf van 10 jaar geen passende straf.
Het hof heeft nadrukkelijk de vraag onder ogen gezien, of de verdachte door het opleggen van een 10 jaar te boven gaande tijdelijke gevangenisstraf enig nadeel ondervindt. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend.
Het Hof Arnhem-Leeuwarden heeft de mogelijkheid, indien en voor zover het komt tot een bewezenverklaring en de oplegging van een tijdelijke gevangenisstraf, om met toepassing van artikel 63 Sr recht te doen en daarbij rekening te houden met het onderhavige arrest. In het geval de verdachte door het Hof Arnhem-Leeuwarden wordt vrijgesproken, is er vanzelfsprekend evenmin een probleem met artikel 63 Sr. Het laatste kan ook worden geconcludeerd als het Hof Arnhem-Leeuwarden zou komen tot oplegging van een levenslange gevangenisstraf.
Alles overziend, heeft de verdachte in geen enkel opzicht nadeel van het nu niet toepassen van artikel 63 Sr en kan – in ieder geval in de toekomst – ten aanzien van de verdachte worden voldaan aan de rol en betekenis van de samenloopregeling zoals neergelegd in de artikelen 63 en 57 Sr. Dit is ook het geval als in het onderhavige arrest een tijdelijke gevangenisstraf van meer dan 10 jaar wordt opgelegd.
Dat dit alles anders was geweest in het geval het vonnis van de Rechtbank Gelderland van 20 december 2022 onherroepelijk zou zijn geweest op het moment van het wijzen van het onderhavige arrest, is evident. In dat geval zou de samenloopregeling ertoe hebben genoopt om bij oplegging van een tijdelijke gevangenisstraf deze te beperken tot maximaal 10 jaar.
8.3.2 De op te leggen straf (...) Zoals hiervoor overwogen zal het hof geen toepassing geven aan artikel 63 Sr. (...) Het hof acht alles afwegende een gevangenisstraf voor de tijdelijke duur van 28 jaar, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.”
2.3 De volgende bepalingen zijn van belang.
2.4 Dit geval wordt hierdoor gekenmerkt dat het hof de verdachte heeft veroordeeld voor onder meer een feit – moord – waarop als zodanig (ter vrije keuze van de rechter) levenslange gevangenisstraf of tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste dertig jaren is gesteld. Als de rechter in zo’n geval een tijdelijke gevangenisstraf passend en geboden acht, dan moet hij:a) nagaan wat de maximaal op te leggen tijdelijke gevangenisstraf zou zijn geweest als alle, dat wil zeggen ook de na de datum van het plegen van het door de rechter te beoordelen feit, door een andere rechter al beoordeelde feiten gevoegd zouden zijn behandeld en dus tot één rechterlijke uitspraak zouden hebben geleid, terwijlb) hij in ieder geval geen hogere straf zal mogen opleggen dan overeenkomt met het hiervoor onder a) bedoelde maximum verminderd met de eerder opgelegde straffen enc) hij in geen geval hoger mag straffen dan tot het maximum van de vrijheidsstraf die is gesteld op het door hem te berechten feit.(Vgl. HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX9407 en HR 17 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9992.)Daarbij is niet van belang of de veroordeling voor de door de andere rechter al beoordeelde feiten al dan niet onherroepelijk is (vgl. HR 17 mei 1983, ECLI:NL:HR:1983:AC7985).
2.5 Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte in een andere strafzaak voor medeplegen van moord is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 jaren en dat die veroordeling niet onherroepelijk is. Daarnaast heeft het hof overwogen dat het “alles afwegende een gevangenisstraf voor de tijdelijke duur van 28 jaar (...) passend en geboden” acht. In het licht van deze overweging heeft het hof geoordeeld dat het “geen toepassing [zal] geven aan artikel 63 Sr”. Tegen de achtergrond van wat onder 2.4 is vooropgesteld, geeft dat oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
2.6 Het cassatiemiddel slaagt.
2.7 Opmerking verdient dat bij het parlement momenteel het wetsvoorstel “herziening regeling meerdaadse samenloop in strafzaken” aanhangig is (vgl. Kamerstukken I 2017/18, 34126, A). Dit wetsvoorstel strekt er onder meer toe dat de toepassing van artikel 63 Sr wordt beperkt tot het geval waarin de verdachte “onherroepelijk” tot straf is veroordeeld. (Vgl. HR 4 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2248.) 3Beoordeling van het tweede cassatiemiddel Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.
4Beslissing De Hoge Raad:
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 mei 2025.