HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 22/00725 Datum 6 juni 2025 ARREST in de zaken van [X2] B.V. (hierna: belanghebbende) tegen
(2013), was het systeem van geregistreerde exporteurs in het kader van het SAP dus niet van toepassing en waren wat betreft het verlenen van de oorsprong aan het product als bedoeld in artikel 73 van de UCDW de regels voor procedures en methoden van administratieve samenwerking zoals neergelegd in Afdeling 1 bis van de UCDW van toepassing. 4.2.5 Zoals middel I aanvoert, is per 1 januari 2011 in deel I, titel IV, hoofdstuk 2, van de UCDW niet langer met zo veel woorden voorgeschreven dat producten van oorsprong uit begunstigde landen voor toekenning van een algemene tariefpreferentie in aanmerking komen wanneer een certificaat van oorsprong, formulier A, wordt overgelegd. Anders dan middel I kennelijk wil betogen, betekent dit echter niet dat met de inwerkingtreding van Vo. 1063/2010 de verplichting om bij invoer in de Europese Unie de oorsprong van producten met een voorgeschreven bewijsmiddel aan te tonen, per 1 januari 2011 is afgeschaft. Artikel 97 duodecies van de UCDW draagt namelijk elk begunstigd land op de in afdeling 1 van dit hoofdstuk 2 opgenomen oorsprongsregels voor de uit te voeren producten, alsmede de voorschriften voor het invullen en de afgifte van certificaten van oorsprong, formulier A, waarvan een model in bijlage 17 is opgenomen, en de bepalingen voor het gebruik van factuurverklaringen, waarvan een model in bijlage 18 is opgenomen, toe te passen. Op grond van artikel 97 duodecies, lid 5, van de UCDW is een bewijs van oorsprong tien maanden geldig vanaf de datum van afgifte in het land van uitvoer. De algemene opzet en structuur van de per 1 januari 2011 geldende bepalingen van de UCDW ter uitvoering van het SAP laten – in het licht van de bedoelingen van de Commissie zoals verwoord in de preambule van Vo. 1063/2010 – buiten redelijke twijfel geen andere uitleg toe dan dat, om in aanmerking te komen voor een algemene tariefpreferentie bij invoer van een product van oorsprong uit een begunstigd land,
- i)ook na 1 januari 2011 tot in elk geval 1 januari 2017 is vereist dat in de lidstaat van invoer op de voet van artikel 97 quindecies van de UCDW de oorsprong van dat product wordt bewezen, en
- ii)volgens de bepalingen van de UCDW – in afwachting van toepassing van het systeem van geregistreerde exporteurs – als bewijsmiddel kan dienen ofwel een volgens het bepaalde in artikel 97 terdecies van de UCDW afgegeven, geldig certificaat van oorsprong, formulier A, ofwel een volgens het bepaalde in artikel 97 quaterdecies van de UCDW opgestelde factuurverklaring van een exporteur in de zin van artikel 67, lid 1, aanhef en letter t, van de UCDW. In deel I, titel IV, hoofdstuk 2, van de UCDW noch in de toelichting van de Commissie in de preambule van Vo. 1063/2010 zijn aanwijzingen te vinden die de door middel I voorgestane uitleg ondersteunen. 4.3 Gelet op hetgeen hiervoor in 4.2.4 en 4.2.5 is overwogen, faalt middel I. 4.4.1 Middel II is gericht tegen het hiervoor in 3.3 weergeven oordeel van het Hof dat de hiervoor in 2.4 bedoelde formulieren A niet meebrengen dat voor de garnalen niet een douaneschuld is ontstaan. Het Hof heeft aan dat oordeel onder meer ten grondslag gelegd dat de op de door het EPB afgegeven formulieren A vermelde gegevens over de garnalen niet overeenstemmen met de daadwerkelijk ingevoerde goederen. Het middel betoogt dat kleine verschillen tussen de garnalen zoals omschreven op de hiervoor in 2.4 bedoelde formulieren A, en de garnalen zoals die waren omschreven in de hiervoor in 2.1 bedoelde aangiften, niet tot de conclusie kunnen leiden dat deze formulieren A niet kunnen dienen als bewijs voor het verkrijgen van de algemene tariefpreferentie voor de garnalen. 4.4.2 Voor het toekennen van een algemene tariefpreferentie in het kader van het SAP geldt dat het aan de aangever is om – bij gemotiveerde betwisting daarvan – aan te tonen dat een verstrekt certificaat van oorsprong of factuurverklaring ziet op dezelfde goederen die hij voor het vrije verkeer in de Unie heeft aangegeven. In dit verband bepaalt artikel 97 novodecies, lid 1, van de UCDW dat geringe verschillen tussen de gegevens in een certificaat van oorsprong, formulier A, of een factuurverklaring en de gegevens in de documenten die in verband met de formaliteiten bij invoer bij het douanekantoor worden ingediend, dit certificaat of de factuurverklaring niet automatisch ongeldig maken, wanneer wordt vastgesteld dat het document met de betrokken goederen overeenstemt. In artikel 97 novodecies, lid 2, van de UCDW is bepaald dat kennelijke vormfouten, zoals typefouten in een certificaat van oorsprong, formulier A, of in een factuurverklaring niet ertoe leiden dat dit document wordt geweigerd, indien deze fouten niet van dien aard zijn dat zij twijfel doen rijzen over de juistheid van de gegevens in dit document. 4.4.3 Het Hof heeft geoordeeld dat, en waarom, de gegevens zoals vermeld op de door het EPB afgegeven originele formulieren A niet overeenstemmen met de daadwerkelijk door belanghebbende ingevoerde goederen (de garnalen). Daarmee heeft het Hof kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat deze verschillen – mede in het licht van hetgeen volgens het missierapport over het gebruik van vervalste formulieren A door de betrokken exporteurs is gebleken – niet als gering kunnen worden beschouwd en dat de alsnog overgelegde formulieren A niet zien op de garnalen, zodat deze niet als geldig bewijs van oorsprong voor de garnalen kunnen dienen.Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Anders dan middel II kennelijk betoogt, volstaat voor het antwoord op de vraag of het overgelegde formulier A op de voet van artikel 97 quindecies van de UCDW aanvaardbaar is voor toepassing van de algemene tariefpreferentie, niet dat uit vergelijking blijkt dat alle goederen worden ingedeeld in dezelfde tariefpost, zoals in dit geval postonderverdeling 0306 17 92 van de Gecombineerde nomenclatuur. Ook moet onmiskenbaar zijn dat het overgelegde bewijs van oorsprong daadwerkelijk betrekking heeft op de voor het vrije verkeer aangegeven goederen (de garnalen). Voor het overige kan het oordeel van het Hof, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, door de Hoge Raad in de cassatieprocedure niet op juistheid worden onderzocht. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Middel II faalt daarom. 5Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure 5.1 Belanghebbende heeft de Hoge Raad verzocht om bij overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep, de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade. 5.2 In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 17 februari 2022. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment waarop de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert een overschrijding op van de redelijke termijn van meer dan twaalf maanden maar niet meer dan achttien maanden. Aan belanghebbende komt daarom een vergoeding van immateriële schade toe van € 1.500. 6Proceskosten en griffierecht 6.1 Het door belanghebbende ingestelde beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard, zodat er geen aanleiding is om de Staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten. 6.2.1 In de omstandigheid dat aan belanghebbende een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure wordt toegekend, vindt de Hoge Raad aanleiding om de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) te veroordelen in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaken met de nummers 22/00725, 22/00730, 24/04157, 24/04158, 24/04160 en 24/04161 met elkaar samenhangen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). 6.2.2 Bij de berekening van de vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand neemt de Hoge Raad in een geval als dit tot uitgangspunt dat
- i)een verzoek om schadevergoeding een proceshandeling is waaraan 1 punt wordt toegekend, en
- ii)op een dergelijk verzoek van toepassing is wegingsfactor 0,25 (zeer licht) zoals voorzien in de bijlage bij het Besluit. 6.3 In de omstandigheden dat (
- i)belanghebbende een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure wordt toegekend, (
- ii)belanghebbende vóór 31 mei 2024 om die vergoeding heeft verzocht, en (iii) de redelijke termijn in de cassatieprocedure op 17 februari 2024 is verstreken, ziet de Hoge Raad aanleiding om de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) op te dragen aan belanghebbende het griffierecht te vergoeden dat zij voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald. 7Beslissing De Hoge Raad: - verklaart het beroep in cassatie ongegrond, - veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding aan belanghebbende van de aan de cassatieprocedure toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 1.500, - draagt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 548, en - veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op een zesde van € 340, oftewel € 56,69, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2025. ECLI:NL:GHAMS:2022:100. Verordening (EU) Nr. 1063/2010 van de Commissie van 18 november 2010 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2454/93 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek, Pb 2010, L 307. Verordening (EG) Nr. 732/2008 van de Raad van 22 juli 2008 betreffende de toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties voor de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2011 en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 552/97 en (EG) nr. 1933/2006 van de Raad en de Verordeningen (EG) nr. 1100/2006 en (EG) nr. 964/2007 van de Commissie, Pb 2008, L 211. Zie HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.14.1, en vgl. HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, rechtsoverweging 3.5. Zie HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, rechtsoverweging 5.2. Vgl. HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, rechtsoverwegingen 7.1.1 en 7.1.2.