Officiële bronnenwetten.overheid.nl · EUR-Lex
Europaius

ECLI:NL:HR:2026:274

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 25/03621 Datum 20 februari 2026 ARREST op het door [X] (hierna: belanghebbende), vertegenwoordigd door A.F.M.J. Verhoeven, ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 19 augustus 2025, nr. 24/50.

1Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie Het via het webportaal van de Hoge Raad ontvangen beroepschrift in cassatie bevat, hoewel artikel 6:5, lid 1, letter d, Awb dit vereist, niet de gronden van het beroep.

De griffier van de Hoge Raad heeft op 14 oktober 2025 in het digitale dossier van belanghebbende een bericht geplaatst waarbij belanghebbende in de gelegenheid wordt gesteld dat verzuim binnen zes weken na die datum te herstellen. Die termijn eindigde op 25 november 2025.

Van de plaatsing van het hiervoor vermelde bericht in het digitale dossier van belanghebbende is eveneens op 14 oktober 2025 een kennisgeving verzonden naar het door belanghebbende voor dit doel opgegeven e-mailadres. Op grond hiervan neemt de Hoge Raad aan dat belanghebbende dit bericht heeft ontvangen, en wel, gelet op artikel 8:36c, lid 2, Awb, op 14 oktober 2025.

Belanghebbende heeft het hiervoor bedoelde verzuim niet hersteld. Daarom zal de Hoge Raad met toepassing van artikel 6:6 Awb het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaren.

2Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2026.

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.