ECLI:NL:HR:2026:448
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 25/04087 U Datum 17 maart 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 30 oktober 2025, nummer UTL-I-2025013828, op een verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van [opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991, hierna: de opgeëiste persoon.
1Procesverloop in cassatie De beroepen zijn ingesteld door de opgeëiste persoon en het openbaar ministerie.
Namens de opgeëiste persoon heeft de advocaat J.W. Ebbink bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. Ook het openbaar ministerie heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de beslissing van de rechtbank dat de uitlevering ontoelaatbaar is voor zover betrekking hebbende op het door de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika bij de stukken overgelegde aanhoudingsbevel met nummer […] , tot toelaatbaarverklaring daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
3.2 De uitspraak van de rechtbank houdt onder meer in: “3.2 Toepasselijke wetten en verdragen Op het uitleveringsverzoek is naast de UW, het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika (hierna: het Verdrag) van toepassing. (...) 3.5 Dubbele strafbaarheid Ingevolge artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a, van het Verdrag en artikel 5, eerste lid, UW kan uitlevering alleen worden toegestaan indien het feit krachtens het recht van zowel de verzoekende staat als Nederland strafbaar is gesteld met een vrijheidsstraf van meer dan één jaar.
De opgeëiste persoon wordt in de Verenigde Staten van Amerika verdacht van ‘accessory before the fact of murder’, ‘accessory after the fact of murder’ en ‘conspiracy to commit murder’. Naar het recht van de Verenigde Staten van Amerika is op deze feiten een vrijheidsbenemende straf van meer dan een jaar gesteld.
De feiten ‘accessory before the fact of murder’ en ‘conspiracy to commit murder’ zijn naar Nederlands recht strafbaar gesteld onder artikel 47, 48 en 49 jo. artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), te weten enige vorm van deelneming aan moord, welk feit wordt bedreigd met een vrijheidsbenemende straf van meer dan een jaar. Gelet hierop is ten aanzien van deze feiten voldaan aan de vereisten van artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a van het Verdrag en artikel 5 van de UW.
Het feit ‘accessory after the fact of murder’ is naar Nederlands recht strafbaar gesteld onder artikel 189 Sr, te weten hulp aan een dader na een misdrijf, welk feit wordt bedreigd met een vrijheidsbenemende straf van ten hoogste zes maanden. Gelet hierop is ten aanzien van dit feit niet voldaan aan de vereisten van artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a van het Verdrag en artikel 5 van de UW. De uitlevering dient ten aanzien van dit feit ontoelaatbaar te worden verklaard. (...) 5. Beslissing De rechtbank: verklaart toelaatbaar de uitlevering aan de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika van [opgeëiste persoon] (...) ter strafvervolging van de feiten zoals vermeld in de door de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika bij de stukken overgelegde aanhoudingsbevelen met nummers […] en […] . verklaart de uitlevering ontoelaatbaar voor zover betrekking hebbende op het door de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika bij de stukken overgelegde aanhoudingsbevel met nummer […] .”
3.3 De volgende wettelijke en verdragsrechtelijke bepalingen zijn van belang.
3.4.1 De rechtbank heeft overwogen dat het feit zoals vermeld in het aanhoudingsbevel met nummer […] (“accessory after the fact of murder”) naar Nederlands recht strafbaar is gesteld in artikel 189 van het Wetboek van Strafrecht en wordt bedreigd met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden. Op grond hiervan heeft de rechtbank geoordeeld dat ten aanzien van dit feit niet is voldaan aan de eisen die worden gesteld door artikel 2 lid 2, aanhef en onder a, Verdrag en artikel 5 lid 1, aanhef en onder a, Uitleveringswet en heeft de rechtbank de uitlevering in zoverre ontoelaatbaar verklaard.
3.4.2 Omdat de rechtbank de uitlevering toelaatbaar heeft verklaard voor de feiten die worden vermeld in de aanhoudingsbevelen met nummer […] (“accessory before the fact of murder”) en […] (“conspiracy to commit murder”), heeft de rechtbank met het onder 3.4.1 bedoelde oordeel miskend dat de uitlevering voor dit feit (“accessory after the fact of murder”) kan worden toegestaan op grond van artikel 2 lid 5 Verdrag. Gelet op artikel 94 van de Grondwet vinden binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften geen toepassing als deze niet verenigbaar zijn met een ieder verbindende bepalingen van verdragen. Dat betekent in dit geval dat artikel 5 Uitleveringswet buiten toepassing blijft voor zover uitlevering kan worden toegestaan op grond van artikel 2 lid 5 Verdrag (vgl. HR 18 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4292, rechtsoverweging 5.6).
3.4.3 Het cassatiemiddel slaagt. De Hoge Raad zal doen wat de rechtbank had moeten doen en de uitlevering ook toelaatbaar verklaren voor het feit zoals vermeld in het aanhoudingsbevel met nummer […] .
4Beslissing De Hoge Raad:
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 maart 2026.