Officiële bronnenwetten.overheid.nl · EUR-Lex
Europaius

ECLI:NL:HR:2026:496

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 23/03178 Datum 31 maart 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 7 augustus 2023, nummer 23-003219-21, in de strafzaak tegen [verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, hierna: de verdachte.

1Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat H.C. Meijer een schriftuur ingediend.

De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft bij conclusie van 2 december 2025 geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de opgelegde taakstraf, tot vermindering daarvan, en tot verwerping van het beroep en bij aanvullende conclusie van 10 maart 2026 geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam en van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 november 2021 en tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging.

2Overlijden van de verdachte Volgens een aan de Hoge Raad overgelegd, door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Amsterdam gewaarmerkt afschrift van een akte van de burgerlijke stand van die gemeente is de verdachte op 30 augustus 2025 overleden.

Daarom is op grond van artikel 69 van het Wetboek van Strafrecht in deze zaak het recht tot strafvordering vervallen.

3Beslissing De Hoge Raad:

-vernietigt de uitspraak van het hof en de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 november 2021;
-verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 maart 2026.

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.