ECLI:NL:HR:2026:904
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/01096 Datum 9 juni 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 15 maart 2024, nummer 22-003714-22, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972, hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat A.A. Franken bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep en, afhankelijk van de mate van overschrijding van de redelijke termijn, tot constatering daarvan dan wel vernietiging van de bestreden uitspraak, maar in dat geval alleen wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf.
2Beoordeling van het cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt dat het hof een veroordeling door het gerecht in eerste aanleg van Curaçao ten onrechte heeft aangemerkt als een ‘vroegere veroordeling’ als bedoeld in artikel 43a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) en ten nadele van de verdachte bij de straftoemeting heeft betrokken.
2.2.1 Overeenkomstig de tenlastelegging is onder 1 ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat: “hij in de periode van 24 september 2019 tot en met 30 april 2020 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met geweld [benadeelde] heeft gedwongen tot:
2.2.2 Deze bewezenverklaring steunt op onder meer het volgende bewijsmiddel: “9. Het geschrift, te weten een uittreksel Justitiële Documentatie op grond van de Landsverordening/Wet op de Justitiële documentatie van 6 december 2022 ten name van de verdachte, voor zover inhoudende:
Parket Eerste Aanleg Curaçao.
Diefstal, door twee of meer verenigde personen gepleegd, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijker te maken.
Onherroepelijk 02 februari 2012.
Gevangenisstraf 6 jaar, met aftrek van het voorarrest.
Bij ministeriële beschikking d.d. 29-01-15 m.i.v. 31-1-2015 voorwaardelijk in vrijheid gesteld.”
2.2.3 Het hof heeft – door bevestiging van het vonnis van de rechtbank met aanvulling van gronden – het onder 1 bewezenverklaarde gekwalificeerd als “afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, terwijl tijdens het plegen van dit misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan”, met aanhaling van artikel 43a Sr bij de toepasselijke wetsartikelen.
2.2.4 Het hof heeft de verdachte voor onder meer het onder 1 bewezenverklaarde feit veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden. De strafmotivering in het bevestigde vonnis houdt onder meer in: “Ernst van de feiten De verdachte heeft zich, samen met anderen, schuldig gemaakt aan afpersing. Deze georganiseerde afpersing door een soort incassoploeg vond plaats in de illegale gokwereld. De verdachte en zijn mededaders hebben er misbruik van gemaakt dat het slachtoffer zichzelf in een kwetsbare situatie had gebracht door zich in de illegale gokwereld te mengen. Zij hebben hem door dreiging met geweld een groot geldbedrag afhandig gemaakt.
Tevens heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot afpersing. De verdachte heeft een vriend van hem door bedreiging met grof geweld geprobeerd geld afhandig te maken, waarbij hij steeds dreigender taal uitsloeg.
Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen met bijpassende munitie. Vuurwapens vormen een groot gevaar voor de samenleving en het bezit daarvan moet daarom streng worden bestraft.
Strafblad De rechtbank heeft rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie op grond van de Landsverordening/Wet op de Justitiële documentatie, gedateerd 6 december 2022. Daaruit volgt dat de verdachte voorafgaand aan het begaan van het onder 1 primair bewezen verklaarde eerder op Curaçao op 2 februari 2012 is veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf. Deze veroordeling is onherroepelijk. De verdachte heeft zich binnen vijf jaar na het onherroepelijk worden van voormelde veroordeling wederom schuldig gemaakt aan soortgelijke misdrijven. De termijn van vijf jaar kan worden verlengd met de tijd waarin de veroordeelde rechtens van zijn vrijheid is beroofd. Bij ministeriële beschikking van 29 januari 2015 is de verdachte met ingang van 31 januari 2015 voorwaardelijk in vrijheid gesteld. De rechtbank weegt deze omstandigheid met inachtneming van art. 43a Sr ten nadele van de verdachte mee bij de straftoemeting.
De rechtbank heeft tevens rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie op grond van de Wet Justitiële en Strafvorderlijke Gegevens, gedateerd 6 december 2022. Daaruit volgt dat de verdachte voorafgaand aan het begaan van het onder 2 bewezen verklaarde eerder door het gerechtshof in Amsterdam op 14 oktober 2019 is veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf. Deze veroordeling is onherroepelijk. De verdachte heeft zich binnen vijf jaar na het onherroepelijk worden van voormelde veroordeling wederom schuldig gemaakt aan soortgelijke misdrijven. De rechtbank weegt deze omstandigheid met inachtneming van art. 43a Sr ten nadele van de verdachte mee bij de straftoemeting. (...) Strafmodaliteit en strafmaat In strafverzwarende zin weegt de rechtbank de eerdere veroordelingen van verdachte voor vergelijkbare strafbare feiten mee. In strafmatigende zin wordt meegewogen dat de afpersing van [benadeelde] ongeveer drie jaar geleden heeft plaatsgevonden. Ook het gegeven dat feit 1 een relatief minder ernstige vorm van afpersing betreft, nu daadwerkelijk geweld en/of concrete verbale bedreigingen zijn uitgebleven, werkt strafmatigend en leidt tot een afwijking van de eis.”
2.3 De tenlastelegging onder 1 is mede toegesneden op artikel 43a Sr. Daarom moet worden aangenomen dat het in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende begrip ‘vroegere veroordeling’ is gebruikt in de betekenis die dat begrip heeft in die bepaling.
2.4.1 De volgende bepalingen zijn van belang.
1°. de misdrijven omschreven in de artikelen 105, 174, 208 tot en met 210, 213, 214, 216 tot en met 222bis, 225 tot en met 232, 310, 311, 312, 315, 317, 318, 321 tot en met 323a, 326 tot en met 332, 341, 343, 344, 359, 361, 366, 373, laatste lid, 402, 416, 417, 420bis, 420bis.1 en 420ter;
2°. de misdrijven omschreven in de artikelen 92, 108, 109, 110, 115, 116, 117 tot en met 117b, 141, 181, 182, 287 tot en met 291, 293, eerste lid, 296, 300 tot en met 303, 381, 382, 395 en 396;
3°. de misdrijven omschreven in de artikelen 261 tot en met 271, 418 en 419;
4°. de misdrijven omschreven in de Opiumwet;
5°. de misdrijven omschreven in de Wet wapens en munitie;
6°. de misdrijven omschreven in de Wegenverkeerswet 1994.”
2.4.2 De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de wet van 20 mei 2010, Stb. 2010, 200 (Wet tot implementatie van het kaderbesluit nr. 2008/675/JBZ van de Raad van 24 juli 2008 betreffende de wijze waarop bij een nieuwe strafrechtelijke procedure rekening wordt gehouden met veroordelingen in andere lidstaten van de Europese Unie (PbEU L 220)), waarbij artikel 43c Sr is vervallen en artikel 78c Sr is ingevoerd, houdt onder meer in: “3. Rekening houden met vroegere buitenlandse veroordelingen naar huidig recht Het rekening houden met vroegere buitenlandse veroordelingen is geen onbekend fenomeen in de Nederlandse strafrechtspraktijk. De rechter houdt immers rekening met alle relevante omstandigheden van het geval. Een vroegere buitenlandse veroordeling kan worden meegewogen als zo een relevante omstandigheid. Zo kan een vroegere buitenlandse veroordeling voor de rechter aanleiding vormen een hogere straf op te leggen dan het geval zou zijn geweest bij een zogenoemde first offender. Hij is daarbij wel gebonden aan het wettelijke strafmaximum dat is gesteld op het feit waarvoor de verdachte wordt berecht. Dat is anders waar het gaat om vervolging wegens valsemunterij. Artikel 43c Sr in samenhang met artikel 43a Sr verhoogt het strafmaximum voor valsemunterij met een derde indien de betrokkene eerder voor dit misdrijf is veroordeeld, ook indien die veroordeling plaatsvond in een andere lidstaat van de Europese Unie. (...) De wet kent (...) bepalingen die expliciet verwijzen naar vroegere veroordelingen en daaraan specifieke gevolgen verbinden. Een belangrijk voorbeeld hiervan is artikel 43a Sr dat een algemene recidiveregeling bevat. Voor zover in de bestaande wettelijke bepalingen niet expliciet wordt verwezen naar veroordelingen door een buitenlandse rechter – zoals het geval is in artikel 43c Sr –, moet het ervoor worden gehouden dat de werkingssfeer van deze artikelen zich beperkt tot vroegere veroordelingen uitgesproken door een Nederlandse strafrechter (zie ook Cleiren & Nijboer 2006, (T&C Sr), artikel 43a Sr, aant. 4b en Hazewinkel-Suringa/Remmelink, Inleiding tot de studie van het Nederlandse strafrecht, 1996, par. 4.8.7.4.4.). Met de implementatie van het kaderbesluit, waartoe dit wetsvoorstel strekt, zal deze werkingssfeer worden uitgebreid ten aanzien van strafrechtelijke veroordelingen afkomstig uit andere lidstaten van de Europese Unie.
2.6 Het hof heeft daarom ten onrechte een veroordeling door het gerecht in eerste aanleg van Curaçao aangemerkt als een ‘vroegere veroordeling’ als bedoeld in artikel 43a Sr. Het cassatiemiddel klaagt hierover terecht.
2.7 Dit leidt echter niet tot cassatie. De gevangenisstraf van twaalf maanden is mede opgelegd voor de onder 2 en 3 bewezenverklaarde feiten, te weten: “poging tot afpersing, terwijl tijdens het plegen van dit misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan” en “handelen in strijd met art. 26 lid 1 van de WWM en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met art. 26 lid 1 van de WWM”. De duur van deze straf ligt ver onder het strafmaximum van zestien jaren dat bij meerdaadse samenloop geldt als ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde feit niet toepassing wordt gegeven aan artikel 43a Sr. Daarbij mocht het hof ook, binnen dat strafmaximum, bij de strafoplegging gewicht toekennen aan de in het cassatiemiddel bedoelde veroordeling. De verdachte heeft daarom onvoldoende belang bij cassatie.
3Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twaalf maanden.
4Beslissing De Hoge Raad:
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juni 2026.