Uitspraak van 21 maart 2016 GAZA nr. 2016 van 2014 HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA UITSPRAAK op het bezwaar van: [ klaagster ], wonende in Aruba, KLAAGSTER gemachtigde: mr. E. Duijneveld, gericht tegen: de Gouverneur van Aruba, zetelend in Aruba, VERWEERDER, gemachtigde: de heer J.O. Senchi (DWJZ). 1PROCESVERLOOP Bij landsbesluit van 14 juli 2014 no. 1 (hierna: de bestreden beschikking) heeft verweerder klaagster – kort gezegd – primair disciplinair ontslagen, subsidiair eervol ontslagen met toepassing van artikel 98, eerste lid, onder f van de Lma, met ingang van de dag na dagtekening van de bestreden beschikking. Tegen deze beschikking heeft klaagster op 28 augustus 2014 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft op 20 november 2014 een contramemorie ingediend. De zaak is behandeld ter zitting van 30 maart 2015, alwaar klaagster is verschenen bijgestaan door haar gemachtigde en verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Bij akte, ingediend op 20 april 2015 heeft verweerder nadere stukken overgelegd. Klaagster heeft bij contra-akte, ingediend op 18 januari 2016, op de stukken gereageerd. Hierna is uitspraak bepaald op heden. 2OVERWEGINGEN 2.1 Verweerder heeft aan het disciplinair ontslag ten grondslag gelegd, dat klaagster zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim en dat klaagster met haar handelen de integriteit van het Hulpbestuurskantoor X ernstig heeft geschaad. Volgens verweerder heeft het handelen van klaagster bestaan uit het zeer onzorgvuldig, onachtzaam en onnadenkend uitoefenen van haar werkzaamheden als ..., door het niet zorgen voor het kloppen van de kassabedragen en het op tijd reageren c.q. melden omtrent de kassatekorten en het niet op een verantwoordelijke wijze achterlaten van een cheque en gelden van derden. 2.2 Klaagster kan zich niet verenigen met het haar verleende ontslag en betwist dat haar handelen, ernstig plichtsverzuim oplevert. Klaagster heeft zich op het standpunt gesteld dat niet valt uit te sluiten dat zij het slachtoffer is geworden van haar leidinggevende en dat haar een zekere mate van naïviteit kan worden verweten, doch dat dit geen disciplinair ontslag rechtvaardigt. 2.3 Bij de beoordeling van de vraag of klager zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim, neemt het gerecht het volgende in aanmerking. Het wettelijk kader 2.4.1 Ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Lma kan de ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege door het bevoegde gezag disciplinair worden gestraft. Ingevolgde het tweede lid van dit artikel omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen. Ingevolge het derde lid van dit artikel sluit een strafvervolging wegens een feit dat mede een plichtsverzuim inhoudt, een disciplinaire strafoplegging wegens datzelfde feit niet uit. 2.4.2 Ingevolge artikel 83, eerste lid, onder i van de Lma kan de disciplinaire straf van ontslag worden toegepast. 2.4.3 Voor zover hier van belang bepaalt artikel 85, lid 1 van Lma, dat de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij onmiddellijke uitvoering naar het oordeel van de tot straffen bevoegden door het dienstbelang wordt gevorderd. De feiten 2.5 Met betrekking tot de aan het disciplinair ontslag ten grondslag liggende feiten stelt het gerecht het volgende vast. 2.5.1 Klaagster is vanaf 9 augustus 1996 benoemd tot ambtenaar en tewerkgesteld bij het Hulpbestuurskantoor X, laatstelijk in de functie van ... (…). Bij de hulpbestuurskantoren kunnen klanten hun rekeningen van de utiliteitsbedrijven (WEB NV, Elmar NV, Setar NV) betalen, waarbij de hulpbestuurskantoren fungeren als een buitenkassier. De door de hulpbestuurskantoren van klanten geïnde gelden dienen in beginsel op dezelfde dag, doch uiterlijk de volgende werkdag, op de bankrekeningen van de onderscheidenlijke utiliteitsbedrijven te worden gestort. 2.5.2 Bij het Hulpbestuurskantoor X werkten in de periode van september 2012 tot december 2012, zes personen, namelijk de chef, twee kassiers, de ... (d.i. klaagster), de schoonmaakster en de beveiliger. De werkzaamheden van de ... bestaan uit het controleren en vervolgens autoriseren van foutieve handelingen van de kassier(s), het eventueel in het systeem (Key2Betalen) of in de betalingsregistratiesystemen van de utiliteitsbedrijven corrigeren van de fouten van de kassier(s), het overnemen van het kasgeld van de kassier(s) aan het einde van de dag en tekenen van kasstaat voor deze overname, het vaststellen dat het kasgeld per kassier overeenstemt met de totaal geïnde gelden volgens de kasstaat, het per utiliteitsbedrijf vaststellen dat de geregistreerde geldontvangsten aansluiten met de geregistreerde betalingen, het per utiliteitsbedrijf verzamelen van de geldontvangsten ten behoeve van de dagelijkse stortingen bij de bank, het invullen van de bankstortingsformulieren, het storten van de gelden en het controleren van de stortingsbewijzen. 2.5.3 Bij brief van 18 december 2012 is klaagster de toegang tot – kort gezegd – het werk ontzegd, in verband met geconstateerde ongeregeldheden met gelden van derden bij het Hulpbestuurskantoor X. 2.5.4 De chef heeft in een ongedateerd rapport (kennelijk opgemaakt op 19 november 2012), vermeld dat op 4 september 2012 een kastekort is ontstaan van Afl. 5.696,25, omdat zij per ongeluk een cheque ter waarde van dat bedrag, dat klaagster op haar bureau had gelegd, heeft verscheurd, dat er hierdoor onvoldoende geld was om de dagelijkse omzet daadwerkelijk te betalen, en dat zij het tekort uit eigen zak heeft betaald. Bij brief van 21 januari 2013 heeft de Directeur van WEB NV de beleidsmedewerker van de Minister van Algemene zaken, tevens belast met de coördinatie van de hulpbestuurskantoren, bericht dat in de periode van november en december 2012 bij het Hulpbestuurskantoor X een tekort is ontstaan van Afl. 106.118,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.