Uitspraak van 6 maart 2017 GAZA nr. 1843 van 2016 GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA UITSPRAAK op het bezwaar van: [klager], wonend in Aruba, KLAGER, gemachtigden: de advocaten mr. J.M.R.F. Scheper en mr. P.A.J. van der Biezen, tegen: de Gouverneur van Aruba, zetelend in Aruba, VERWEERDER, gemachtigde: A. Lumenier (DWJZ). 1PROCESVERLOOP Bij Landsbesluit van 30 mei 2016, no. 2, (hierna: de bestreden beschikking) heeft verweerder aan klager de disciplinaire straf van gedeeltelijke inhouding van het inkomen ter grootte van Afl. 1.500,- opgelegd. Op 3 augustus 2016 heeft klager daartegen bezwaar gemaakt. Op 18 oktober 2016 heeft verweerder een contramemorie ingediend. Op 23 november en 5 december 2016 heeft verweerder nadere stukken ingediend. Het gerecht heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 november 2016 en 16 januari 2017, waar klager, bijgestaan door voornoemde gemachtigden, en verweerder, vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigde, bijgestaan door mr. B. Every, werkzaam in dienst van de Sociale Verzekeringsbank, en C. Geerman, werkzaam bij de Departamento di Recurso Humano, zijn verschenen. Uitspraak is bepaald op heden. 2OVERWEGINGEN 2.1 Ingevolge artikel 41, eerste lid, van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La), voor zover thans van belang, wordt het bezwaarschrift ingediend binnen dertig dagen na de dag waarop de aangevallen beschikking is gegeven. Ingevolge het derde lid, voor zover thans van belang, wordt hij die bezwaar inbrengt na de hiervoor bepaalde termijn niet op grond daarvan niet-ontvankelijk verklaard, indien hij ten genoegen van de rechter aantoont het bezwaar te hebben ingebracht binnen dertig dagen na de dag waarop hij van de aangevallen beschikking redelijkerwijs kennis heeft kunnen dragen. 2.2 Ter zitting heeft verweerder betoogd dat het bezwaar niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat het bezwaarschrift buiten de daarvoor gestelde termijn is ingediend, nu klager reeds op 2 juni 2016, de dag waarop een afschrift van de bestreden beschikking aan hem ter ontvangst is aangeboden, van die beschikking redelijkerwijs kennis heeft kunnen dragen, zodat het bezwaar binnen dertig dagen na die dag diende te worden ingediend. 2.3 Ter zitting heeft klager aangevoerd dat hij op 2 juni 2016 reeds vakantie genoot en slechts even op kantoor was verschenen. Aldaar heeft hij geweigerd te tekenen voor de ontvangst van een afschrift van de bestreden beschikking, omdat hij op die dag niet meer werkzaam was, maar vakantie genoot. Na zijn terugkeer, op 8 juli 2016, heeft hij kennis gekregen van de bestreden beschikking, aldus klager. 2.4 De bestreden beschikking is op 30 mei 2016 gegeven, zodat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift ingevolge artikel 41, eerste lid, van de La is aangevangen op 31 mei 2016 en is geëindigd op 29 juni
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.