Uitspraak van 29 oktober 2018 AUA201702105 HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA UITSPRAAK op het bezwaar van: [klager], wonend in Aruba, KLAGER, gemachtigden: mrs. C. Lejuez en P.A.J. van der Biezen, gericht tegen: de Gouverneur van Aruba, zetelende in Aruba, VERWEERDER, gemachtigde: mr. V.M. Emerencia (DWJZ). PROCESVERLOOP Bij landsbesluit van 27 juli 2017 (bestreden beschikking) heeft verweerder besloten om klager met ingang van 1 juli 2016 te bevorderen naar de rang van onderinspecteur (schaal P08, dienstjaar 3). Tegen de bestreden beschikking heeft klager op 25 augustus 2017 bezwaar gemaakt. De gronden van zijn bezwaar heeft klager op 18 oktober 2017 aangevuld. Verweerder heeft een contra-memorie ingediend. De zaak is behandeld ter zitting van 10 september 2018, alwaar zijn verschenen klager, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. P.A.J. van der Biezen, en verweerder bij zijn gemachtigde voornoemd. Hierna is uitspraak bepaald op heden. OVERWEGINGEN 1. Klager is als politieambtenaar werkzaam bij het Korps Politie Aruba (KPA). Op 1 juni 2016 heeft klager het diploma Kaderopleiding behaald. Bij de bestreden beschikking is klager met ingang van 1 juli 2016 bevorderd naar de rang van onderinspecteur, met vaststelling van zijn bezoldiging op Afl. 71.700 per jaar (schaal P08, dienstjaar 3) en is de datum van de eerstvolgende periodieke verhoging van bezoldiging op 1 juli 2017 vastgesteld. 2.1. Klager kan zich niet verenigen met de ingangsdatum van de bevordering naar de rang van onderinspecteur. Volgens klager dient hij met ingang van 1 maart 2012 naar de rang van onderinspecteur te worden bevorderd. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij – kort samengevat – aangevoerd dat hij sedert 1 maart 2012 definitief geplaatst is in de functie van chef van dienst binnen de Sectie Surveillance van het KPA en dat hij daarom vanaf die datum ook bevorderd had moeten worden naar de rang van onderinspecteur. 2.2. Klager voert voorts aan dat de toenmalige chef Surveillancedienst aan hem heeft toegezegd en beloofd dat hij, samen met zijn collega’s die eveneens tot chef van dienst waren benoemd, als eerste de kaderopleiding zouden volgen. Dit is echter niet gebeurd. Een ranglijst werd gevolgd om te bepalen wie de kaderopleiding mocht volgen. Na voltooiing van de opleiding werden de kandidaten benoemd tot onderinspecteur. 2.3. Klager stelt verder dat aan hem en zijn collega’s is toegezegd dat het niet uitmaakt wanneer men de kaderopleiding volgt, maar dat de bevordering naar de rang van onderinspecteur met terugwerkende kracht met ingang van 1 maart 2012 zou plaatsvinden. Ter zitting heeft klager desgevraagd aangevuld dat deze toezegging ook door de toenmalige chef Surveillancedienst was gedaan. Klager heeft het bewijsaanbod gedaan om de andere personen aan wie de toezegging is gedaan, hierover te horen. 3. Verweerder stelt zich – kort samengevat – op het standpunt dat klager op 1 maart 2012 niet voldeed aan de vereisten om bevorderd te worden naar de rang van onderinspecteur. 4. Ingevolge artikel 10 van de Landsverordening politie (AB 1988 no.18) in samenhang met Bijlage A bij het Landsbesluit rechtspositie politie (AB 2011 no. 46) zoals gewijzigd bij AB 2011 no. 77 gelden voor de rang van onderinspecteur de volgende aanstellings- en bevorderingseisen: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.