Uitspraak van 22 januari 2018 AUA201600576 HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA UITSPRAAK op het bezwaar van: [klaagster] , wonend in Aruba, KLAAGSTER, procederend in persoon, tegen: DE GOUVERNEUR VAN ARUBA , zetelend in Aruba, VERWEERDER, gemachtigde: mr. J.O. Senchi (DWJZ). 1PROCESVERLOOP Bij landsbesluit 24 oktober 2016, no. 29 is klaagster met ingang van 1 september 2012 bevorderd naar de rang van commies (schaal 8, dienstjaar 9). Op 19 december 2016 heeft klaagster daartegen pro forma bezwaar gemaakt. Op 1 februari 2017 heeft klaagster de gronden van haar bezwaar ingediend. Verweerder heeft op 5 mei 2017 een contra-memorie ingediend. Het gerecht heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juni 2017, waar klaagster in persoon en verweerder, vertegenwoordigd door mr. C.P. Wever, zijn verschenen. Hierna is de zaak verwezen naar de rol voor akte uitlating zijdens partijen in verband met voortprocederen. Vervolgens is de zaak ter zitting behandeld op 6 november 2017, waar klaagster in persoon en verweerder, vertegenwoordigd door mr. J.O. Senchi, zijn verschenen. Uitspraak is bepaald op heden. 2OVERWEGINGEN 2.1 Klaagster betwist de juistheid van de bestreden beschikking wat de functie, uitloopschaal, het niveau van de functie en de anciënniteitsvereiste betreft. 2.2 Uit de door verweerder overgelegde stukken valt af te leiden dat het Departamento di Recurso Humano (DRH) de door klaagster in het landsbesluit van 24 oktober 2016 bestreden punten heeft erkend. Het DRH heeft op 3 mei 2017 een aanpassingsadvies aan verweerder doen toekomen. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting aangevoerd dat het advies van DRH zal worden gevolgd, maar kon niet met zekerheid zeggen wanneer de voorgestelde aanpassingen in een nieuw landsbesluit zullen worden vastgelegd. Klaagster heeft ter zitting aangegeven dat zij het eens is met het advies van het DRH. Volgens klaagster is er naar aanleiding van het advies van het DRH van 3 mei 2017 een ministerraadbesluit genomen, maar verweerder heeft tot heden geen besluit geslagen. 2.3 Uit de stukken en hetgeen ter zitting is aangevoerd is het gerecht van oordeel dat verweerder de in het bestreden landsbesluit opgenomen fouten erkent en deze fouten zal corrigeren. Nu verweerder tot heden het bestreden landsbesluit niet heeft ingetrokken c.q. aangepast ziet het gerecht aanleiding om verweerder op te dragen om binnen een hierna te noemen termijn, met inachtneming van het advies van DRH van 3 mei 2017, een nieuw landsbesluit te slaan. 2.4 Het vorenstaande leidt dan ook tot de volgende beslissing. 3BESLISSING De rechter in dit gerecht: verklaart het bezwaar gegrond; vernietigt het bestreden landsbesluit van 24 oktober 2016; draagt verweerder op om binnen een termijn van drie maanden na dagtekening van deze uitspraak een nieuw landsbesluit te slaan met in achtneming van het advies van het DRH van 3 mei 2017 en hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is gegeven door mr. W.J. Noordhuizen, ambtenarenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 22 januari 2018 in aanwezigheid van de griffier. Ieder der partijen is bevoegd tegen een door het gerecht genomen met redenen omklede eindbeslissing als bedoeld in artikel 89, hoger beroep in te stellen (art. 97, eerste lid, LA). Het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending of terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, welke dag bij toezending aan de voet van het afschrift en bij terhandstelling op het ontvangstbewijs wordt vermeld (art. 98, eerste lid, LA). Het hoger beroep wordt ingesteld door een beroepschrift aan de raad in te zenden ter griffie van die raad te Oranjestad (art. 98, tweede lid, LA).
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.