GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN CURAÇAO Uitspraak in de zaak van: [klager], wonende in Curaçao, klager, gemachtigde: mr. L.N. Asjes, tegen de Regering van het Land Curaçao, zetelende in Curaçao, verweerster, gemachtigde: mr. J.G. Ricardo, werkzaam bij het Land Curaçao. Procesverloop Bij verzoekschrift van 16 augustus 2019 heeft klager verweerster verzocht om alsnog uitvoering te geven aan de door de minister van Justitie (de minister) reeds op 23 maart 2017 geaccordeerde persoonsgebonden bevordering van klager naar schaal 8 ingaande 1 januari 2017 (het verzoek). Op 27 september 2019 heeft klager tegen de weigering van verweerster om op het verzoek te beslissen bezwaar gemaakt bij dit Gerecht (het bezwaar). De zaak is behandeld ter zitting van het Gerecht op 27 januari 2020. Klager is verschenen bij mr. Q.D.A. Carrega, occuperende voor mr. L.N. Asjes. Verweerster werd vertegenwoordigd door mr. J.G. Ricardo. Overwegingen 1. Artikel 35, eerste lid, van de Regeling ambtenarenrechtspraak (de RAr) bepaalt - voor zover relevant - dat een bezwaarschrift kan worden ingediend tegen een weigering om te beschikken of te handelen. Artikel 41, eerste lid bepaalt dat het bezwaarschrift tegen een weigering moet worden ingediend binnen dertig dagen na de dag waarop de aangevallen weigering is uitgesproken. Het tweede lid bepaalt dat een orgaan wordt geacht de weigering tot het nemen van een beschikking of het verrichten van een handeling te hebben uitgesproken, indien het binnen de daarvoor bepaalde tijd of, waar een tijdsbepaling ontbreekt, binnen redelijke tijd een verplichte beschikking niet genomen of een verplichte handeling niet verricht heeft. In dit geval loopt de termijn van dertig dagen vanaf de dag, waarop de weigering geacht wordt te zijn uitgesproken. 2. De weigering om te beschikken wordt in de RAr niet als een afwijzende beschikking, noch als een goedkeurende beschikking gekwalificeerd. De mogelijkheid van het instellen van een rechtsmiddel tegen de weigering om te beschikken is primair een procedureel middel dat kan worden ingezet om het bestuursorgaan te bewegen tot besluitvorming. Gelet hierop dient een ontvankelijk bezwaarschrift ingediend door belanghebbende tegen de weigering om te beschikken gegrond te worden verklaard waarbij het bestuursorgaan moet worden opgedragen om alsnog binnen een bepaalde termijn een beschikking af te geven. Het Gerecht zal dan ook eerst de vraag beantwoorden of het bezwaar van klager ontvankelijk is. 3.1 Volgens vaste jurisprudentie van de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken - zie bijvoorbeeld de uitspraak van 10 juli 2008 (RvBAz 2007/55, 56 en 57) - ontstaat, bij gebreke van een besluitvormingstermijn, een weigering om te beschikken na verloop van tussen de vier maanden en een jaar na het indienen van het verzoek, afhankelijk van de ingewikkeldheid van het verzoek en de bekendheid van het beschikkend orgaan met de desbetreffende materie. 3.2 Vast staat dat ten tijde van de indiening van het bezwaar één maand is verstreken sinds het verzoek. Verweerster concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wegens premature indiening daarvan. Klager stelt dat in dit geval voldoende gronden aanwezig zijn om af te wijken van de hierboven genoemde minimale beslistermijn van vier maanden. 3.3 De vraag die dus moet worden beantwoord is welke beslistermijn als redelijk kan worden geoordeeld. Het Gerecht is van oordeel dat in dit geval van verweerster kon worden gevergd binnen kortere tijd dan de in de jurisprudentie gehanteerde minimale termijn van vier maanden een beslissing te nemen op het verzoek. Het Gerecht overweegt daartoe dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.