Uitspraak van 10 februari 2020 Gaza nr. AUA201900465 HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA UITSPRAAK op het bezwaar in de zin van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van: [klager], wonend in Aruba, KLAGER, gemachtigde: mr. E. Duijneveld, gericht tegen: de Gouverneur van Aruba, zetelend in Aruba, VERWEERDER, gemachtigde: mr. C.L. Geerman (DWJZ). PROCESVERLOOP Bij landsbesluit van 20 juli 2018 (hierna: het bestreden landsbesluit) heeft verweerder besloten om klager met ingang van 1 augustus 2018 naar de rang van hoofdcommies (schaal 10, dienstjaar 7) te bevorderen. Hiertegen heeft klager op 13 februari 2019 bezwaar bij het gerecht gemaakt. Verweerder heeft op 3 mei 2019 een contra-memorie ingediend. De zaak is behandeld ter zitting van 6 januari 2020, alwaar zijn verschenen klager, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd, en verweerder bij zijn gemachtigde voornoemd. De uitspraak is bepaald op heden. OVERWEGINGEN Ontvankelijkheid 1.1 Ingevolge artikel 41, eerste lid, van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (hierna: de La), dient het bezwaarschrift te worden ingediend binnen dertig dagen te rekenen vanaf de dag waarop de aangevallen beschikking is uitgesproken. Het derde lid van voornoemd artikel van de La bepaalt dat, indien het bezwaar na de daarvoor bepaalde termijn is ingediend, de indiener niet op grond daarvan niet-ontvankelijk wordt verklaard, indien hij ten genoegen van de rechter aantoont het bezwaar te hebben ingebracht binnen dertig dagen na de dag waarop hij van de aangevallen beschikking heeft kunnen kennis dragen. 1.2 Klager heeft onweersproken gesteld dat hij het bestreden landsbesluit op 14 januari 2019 heeft ontvangen. Gelet hierop heeft klager zijn bezwaarschrift binnen de in artikel 41, derde lid, van de La bepaalde uiterlijke indieningsdatum ingediend en is hij derhalve ontvankelijk in zijn bezwaar. De feiten 2.1 Bij landsbesluit van 11 december 1996 is klager met ingang van 1 augustus 1990 als ambtenaar in tijdelijke dienst benoemd. 2.2 Bij landsbesluit van 7 april 2017 is klager met ingang van 11 juli 2016 overgeplaatst naar de Directie Scheepvaart (DS). 2.3 Op 20 juli 2017 heeft de directeur van de DS verzocht om klager met ingang van 11 juli 2016 te bevorderen naar de rang van hoofdcommies (schaal 10). 2.4 Bij advies van het Departamento Recurso Humano (DRH) van 24 april 2018 is geadviseerd om klager met ingang van 1 augustus 2018 te bevorderen naar de rang van hoofdcommies (schaal 10). 2.5 Bij ministerraad beslissing van 15 juni 2018 is, conform het advies van het DRH van 24 april 2018, het bevorderingsverzoek van de directeur van 20 juli 2017 geaccordeerd. 2.6 Bij bestreden landsbesluit is klager met ingang van 1 augustus 2018 bevorderd naar de rang van hoofdcommies (schaal 10, dienstjaar 7). De standpunten van partijen 3.1 Klager kan zich niet verenigen met de ingangsdatum van zijn bevordering naar schaal 10 en meent dat hij met ingang van 11 juli 2016 dient te worden bevorderd. Klager doet - zo begrijpt het gerecht - een beroep op het vertrouwensbeginsel, omdat de toenmalige minister en de voormalige directeur van de DS bij klagers plaatsing in de nieuwe functie met hem hadden afgesproken dat hij per 11 juli 2016 naar de rang van hoofdcommies (schaal 10) zou worden bevorderd. Voorts voert klager aan - zo begrijpt het gerecht - dat het niet aan hem te wijten is dat hij een periode non-actief was, daar hij actief heeft gesolliciteerd naar verschillende functies maar niet werd geplaatst. 3.2 Aan het bestreden landsbesluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat klager niet eerder dan met ingang van 1 augustus 2018 in aanmerking kan komen voor een bevordering naar schaal 10, nu hij gedurende de periode van 2 september 2013 tot en met 10 juli 2016 non-actief was. Volgens het door hem gevoerde beleid komt klager gedurende deze periode niet in aanmerking voor bevordering, daar bij gedurende die periode niet kan voldoen aan de in de BRA neergelegde bevorderingseis van gunstige prestatiebeoordeling, aldus verweerder. Beoordeling 4. Ter beoordeling ligt voor de vraag of verweerder op goede gronden heeft besloten om klager met ingang van 1 augustus 2018 naar de rang van hoofdcommies (schaal 10) te bevorderen. Bij de beantwoording van deze vraag stelt het gerecht voorop dat de bevoegdheid van verweerder om ambtenaren al dan niet te bevorderen discretionair van karakter is. Dit brengt met zich mee dat het gebruik van die bevoegdheid door het gerecht slechts terughoudend kan worden getoetst. Bij die toetsing dient het gerecht te beoordelen of verweerder na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de bestreden beschikking heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met enige rechtsregel of met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 5. Ingevolge artikel 13, eerste lid van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (hierna: LMA) geschieden aanstelling en bevordering, voor zover daaromtrent regelen zijn vastgesteld, overeenkomstig deze regelen. Ingevolge artikel 4, tweede lid van de Bezoldigingsregeling Aruba 1986 (hierna: BRA), dient de ambtenaar om in aanmerking te kunnen komen voor een bevordering aan de voor de desbetreffende betrekking bedoelde eisen te voldoen en voorts voor de vervulling van die betrekking geschikt en bekwaam te worden geacht. Voor bevordering naar de rang van hoofdcommies 1ste klasse geldt volgens voormelde bevorderingseisen onder meer een anciënniteitseis van ten minste twee jaar in de rang van hoofd-commies. Verweerder voert ten aanzien van de bevordering van zogenoemde non-actieven het volgende beleid, neergelegd in paragraaf 2.5 van het Handboek Rechtspositionele Regelingen Land Aruba: “Onder non-actieven wordt verstaan de ambtenaren of arbeidscontractanten die zonder geldige reden geen arbeid verrichten, maar wel bezoldiging of loon ontvangen. Het bevorderingsbeleid met betrekking tot non-actieven houdt in dat de betrokken ambtenaar voor de duur van de non-activiteit niet in aanmerking komt voor een bevordering, daar bij gedurende die periode niet kan voldoen aan de in de BRA neergelegde bevorderingseis van gunstige prestatiebeoordeling (…). Afwijking van deze beleidsregel is alleen mogelijk indien het een ambtenaar betreft die in aanmerking komt voor een bevordering op grond van het beleid inzake bevordering van personeel in schalen 1 tot en met 5 bij vervullen van 25 jaar diensttijd en reeds twee
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.