Uitspraak van 6 april 2020 Gaza nr. AUA201902210 HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA UITSPRAAK op het bezwaar van: [Klaagster], wonend in Aruba, KLAAGSTER, gemachtigde: mr. D.G. Kock, gericht tegen: de Gouverneur van Aruba, zetelend in Aruba, VERWEERDER, gemachtigde: dhr. A. Lumenier (DWJZ). PROCESVERLOOP Bij beschikking van 17 mei 2019 (de bestreden beschikking) heeft verweerder aan klaagster bericht dat haar verzoek om bevordering naar de rang van klerk 1ste klasse (schaal 4) niet voor inwilliging vatbaar is. Hiertegen heeft klaagster op 2 juli 2019 bezwaar gemaakt, door indiening van een bezwaarschrift bij dit gerecht. Het gerecht heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 januari 2020, alwaar zijn verschenen klaagster bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd, en verweerder bij zijn gemachtigde voornoemd. De uitspraak is bepaald op heden. OVERWEGINGEN De ontvankelijkheid 1.1 Ingevolge artikel 41, eerste lid, van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak dient het bezwaarschrift te worden ingediend binnen dertig dagen te rekenen vanaf de dag waarop de aangevallen beschikking is uitgesproken. Het derde lid van voornoemd artikel van de La bepaalt dat, indien het bezwaar na de daarvoor bepaalde termijn is ingediend, de indiener niet op grond daarvan niet-ontvankelijk wordt verklaard, indien hij ten genoegen van de rechter aantoont het bezwaar te hebben ingebracht binnen dertig dagen na de dag waarop hij van de aangevallen beschikking kennis heeft kunnen dragen. 1.2 Klaagster heeft onweersproken gesteld dat zij de bestreden beschikking op 5 juni 2019 heeft ontvangen. Het tegendeel blijkt ook niet uit de stukken. Het gerecht gaat er daarom van uit dat klaagster haar bezwaarschrift heeft ingediend binnen dertig dagen na de dag waarop zij de bestreden beschikking heeft ontvangen. Klaagster is derhalve ingevolge artikel 41, derde lid van de La ontvankelijk. De feiten 2.1 Klaagster is ambtenaar werkzaam bij Hulpbestuurskantoor Noord. Met ingang van 1 juli 2013 is klaagster bevorderd naar de rang van klerk (schaal 3). 2.2 Bij landsbesluit van 18 februari 2015, No. 32, is aan klaagster met ingang van 1 maart 2015 de disciplinaire straf van voorwaardelijk ontslag voor de duur van twee jaren opgelegd. 2.3 Bij verzoeken van 24 juli 2017 en 18 mei 2018 heeft klaagster aan verweerder verzocht om met ingang van 1 juli 2017 bevorderd te worden naar de rang van klerk 1ste klasse (schaal 4). 2.4 Bij advies van het Departamento Recurso Humano (DRH) is aan verweerder geadviseerd om klaagster niet te bevorderen naar de rang van klerk 1ste klasse vanwege het niet voldoen aan de bevorderingseisen. 2.5 Bij bestreden beschikking van 17 mei 2019 is het verzoek van klaagster om naar de rang van klerk 1ste klasse te worden bevorderd afgewezen. De standpunten van partijen 3.1 Aan de bestreden beschikking heeft verweerder - kort samengevat - ten grondslag gelegd dat klaagster niet naar de rang van klerk 1ste klasse (schaal 4) kan worden bevorderd omdat zij met ingang van 1 maart 2015 voor de duur van twee jaar de disciplinaire straf van voorwaardelijk ontslag opgelegd heeft gekregen. Hierdoor zou klaagsters functioneren pas met ingang van 1 maart 2017 kunnen worden beoordeeld. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat klaagster na 1 maart 2017 vier jaar dient te wachten (de anciënniteit) om in aanmerking te komen voor een bevordering naar de eerstvolgende rang. 3.2 Klaagster kan zich niet verenigen met de bestreden beschikking. Klaagster voert aan dat de opgelegde voorwaardelijke straf niet in de weg van de verzochte bevordering kan staan, omdat de aan klaagster opgelegde disciplinaire straf niet op grond van artikel 83, eerste lid, aanhef en onder f, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) is opgelegd. Voorts voert klaagster aan dat zij de bevordering met ingang van 1 juli 2017 heeft verzocht. Op dat tijdstip was de voorwaardelijke straf al uitgewerkt. Daarnaast is een gunstige beoordeling geen wettelijke vereiste om naar schaal 4, te worden bevorderd. Tot slot voert klaagster aan dat zij door haar diensthoofd positief is beoordeeld. Het wettelijk kader 4.1 Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (de Lma) geschieden aanstelling en bevordering, voor zover daaromtrent regelen zijn vastgesteld, overeenkomstig deze regelen. Ingevolge het tweede lid dient de betrokkene voor een bevordering aan de in het eerste lid voor de desbetreffende betrekking bedoelde eisen te voldoen en voorts voor de vervulling van die betrekking geschikt en bekwaam te worden geacht. 4.2 Ingevolge artikel 4 van de Bezoldigingsregeling Aruba (de BRA) dient een ambtenaar om in aanmerking te komen voor een bevordering te voldoen aan de in bijlage B opgenomen bevorderingseisen en voorts voor de vervulling van die betrekking geschikt en bekwaam te worden geacht. De beoordeling
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.