GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN CURAÇAO Uitspraak in de zaak van: [klaagster], wonende in Curaçao, klaagster, gemachtigde: A.V.E. Vilchez, tegen de Regering van Curaçao, verweerster, gemachtigden: mrs. S.X.T. Hato en A.C. Hoof. Procesverloop Bij brief van 5 april 2018 heeft de minister van Justitie (de minister) afwijzend beslist (de afwijzende beschikking) op de sollicitatie van klaagster voor de functie van Adviseur/Consulent E (de functie) bij het ministerie van Justitie (het ministerie). Bij bezwaarschrift van 9 mei 2018 heeft klaagster daartegen bezwaar gemaakt bij de minister (het administratief beroep). Bij brief van 6 juni 2018 heeft de minister de afwijzende beschikking gehandhaafd (de bestreden beschikking). Daartegen heeft klaagster bij dit Gerecht bezwaar gemaakt (het bezwaar) en de bezwaargronden vervolgens aangevuld. Verweerster heeft een contramemorie ingediend. De openbare behandeling van de zaak heeft ter zitting van het Gerecht op 10 februari 2020 plaatsgevonden. Klaagster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerster werd vertegenwoordigd door mr. S.X.T. Hato. Overwegingen 1. Ambtshalve oordeelt het Gerecht dat tegen de afwijzende beschikking geen administratief beroep openstond, maar enkel rechtstreeks bezwaar bij het Gerecht. Het Gerecht overweegt daartoe dat uit vaste jurisprudentie van de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken (vgl. ECLI:NL:ORBAACM:2017:6) volgt dat administratief beroep op grond van artikel 11 van het Bezoldigingsbesluit 1998 immers alleen open staat tegen besluiten waaraan functioneringsbeoordelingen (mede) ten grondslag zijn gelegd. Daarvan is hier geen sprake. De minister was dus niet bevoegd om het administratief beroep in behandeling te nemen. Verder merkt het Gerecht op dat niet de minister, maar verweerster op grond van artikel 4, aanhef en onder a, van de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht (LMA) het bevoegde gezag is over landsdienaren. 2. Hoewel de Regeling Ambtenarenrechtspraak 1951 niet voorziet in een verplichting daartoe, mag van verweerster worden verwacht dat zij een bezwaarschrift doorzendt naar de bevoegde instantie, in dit geval het Gerecht. Het niet doorzenden van een bezwaarschrift levert strijd op met het zorgvuldigheidsbeginsel. Het Gerecht zal daarom de bestreden beschikking nietig verklaren en zal de afwijzende beschikking toetsen aan de hand van het administratief beroep. Daarbij zal het Gerecht het bezwaar aanmerken als aanvulling op het administratief beroep. 3. Het Gerecht ziet zich vervolgens voor de vraag of klaagster voldoende procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het geschil, nu inmiddels een andere ambtenaar in de functie is benoemd en bij het ministerie geen andere vacatures zijn. Voor het antwoord op deze vraag is volgens vaste rechtspraak bepalend of het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en of het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben (vgl. ECLI:NL:OGAACMB:2018:107). Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van procesbelang. 4. Klaagster betoogt dat zij vanwege de onrechtmatigheid van de afwijzende beschikking in haar financiële rechtspositie is aangetast en dat zij met deze procedure ook compensatie daarvoor beoogt te krijgen in de vorm van rechttrekking van haar bezoldiging naar schaal 12. Naar het oordeel van het Gerecht heeft klaagster hiermee aannemelijk gemaakt dat zij voldoende belang heeft bij voortzetting van deze procedure. 5. Het Gerecht acht de volgende tussen partijen vaststaande feiten van belang. Klaagster is als Beleidsmedewerker A werkzaam bij de Human Resources Organisatie, ressorterende onder het ministerie van Bestuur, Planning en Dienstverlening, in schaal 11. In juni 2017 heeft het ministerie een interne vacature geplaatst voor de functie, die gewaardeerd is op schaal 12. Als functie-eisen vermeldt de vacature onder meer dat de sollicitant dient te beschikken over een academische opleiding aangevuld met drie ervaringsjaren als adviseur/consulent en actuele kennis van de LMA, het Besluit Rechtspositie Korps Politie Nederlandse Antillen 2000 (het BRKPNA) en het Landsbesluit Rechtspositie Kustwacht 2002 (het LRK). Klaagster en nog vier andere kandidaten hebben op deze vacature gesolliciteerd. Na de brievenselectie zijn er twee kandidaten overgebleven, waaronder klaagster. Met de twee overgebleven kandidaten zijn er geen sollicitatiegesprekken gevoerd. In plaats daarvan heeft de selectiecommissie ervoor gekozen om de twee kandidaten een casusopdracht te laten maken. Beide kandidaten hebben die casusopdracht gemaakt. De voorkeur van de selectiecommissie is tenslotte uitgegaan naar de andere kandidaat, wat vervolgens ertoe heeft geleid dat zij in de functie is benoemd. Aan klaagster is bij de afwijzende beschikking medegedeeld dat zij is afgewezen voor de functie, vooral omdat de andere kandidaat meer ervaring heeft met de doelgroep en rechtspositiebesluiten met welke zij belast zal worden bij haar plaatsing bij het ministerie. 6. Het bezwaar richt zich tegen die afwijzing. Klaagster stelt (naar het Gerecht begrijpt) dat de afwijzende beschikking onrechtmatig is dan wel in strijd is met het motiveringsbeginsel en licht dit als volgt toe. De selectiecommissie heeft bij de gevolgde selectieprocedure de daarvoor geldende wetgeving en het selectiebeleid niet nageleefd. Er zijn namelijk (onder meer) geen sollicitatiegesprekken gehouden met de twee overgebleven kandidaten noch hebben zij een assessments moeten ondergaan bij een onafhankelijk bureau. Aan klaagster is nimmer gecommuniceerd dat zal worden afgeweken van de selectieprocedureregels. Daarnaast is het zo dat klaagster een geschiktere kandidaat is voor de functie, nu zij over een hogere opleiding (HBO) beschikt dan de andere kandidaat (MBO) en tevens een bredere relevante werkervaring heeft. Klaagster betwist dat zij naar aanleiding van de casusopdracht een foutief advies heeft opgesteld dan wel dat daaruit blijkt dat zij in mindere mate ervaring heeft met de LMA, het BRKPNA en het LRK. De aan de selectie ten grondslag gelegde beoordelingsresultaten/scoreformulieren zijn ook nimmer met klaagster besproken. Gelet op dit alles moet (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.