GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN CURAÇAO Uitspraak in de zaak van: [klager], wonende in Curaçao, klager, gemachtigden: mrs. A.K.E. Henriquez en O.E. Kostrzewski , tegen de Regering van Curaçao, verweerster, gemachtigde: mr. S.X.T. Hato. Procesverloop Bij landsbesluit van 12 maart 2019 (het ontslagbesluit), aan klager uitgereikt op 11 april 2019, is klager met ingang van 1 april 2019 primair op grond van artikel 89, eerste lid en onder i van de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht (LMA) de disciplinaire straf van ontslag opgelegd (het strafontslag), subsidiair en meer subsidiair is aan hem eervol ontslag verleend op grond van artikel 103, eerste lid en onder f van de LMA. Daartegen heeft klager op 18 april 2019 bezwaar gemaakt bij dit Gerecht (het bezwaar) en dit vervolgens aangevuld. Verweerster heeft een contramemorie ingediend. De zaak is behandeld ter zitting van het Gerecht op 15 juli 2020. Klager is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigden en verweerster werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Overwegingen feiten 1. Het Gerecht gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten. 1.1 Bij landsbesluit van 5 december 2011 is klager in verband met de staatkundige veranderingen binnen het Koninkrijk der Nederlanden per 10 oktober 2010 geplaatst in de functie van Medewerker Communicatie-D bij het ministerie van Algemene Zaken. 1.2 Bij landsbesluit van 16 april 2012 is klager eervol ontheven uit deze functie en benoemd in de functie van Medewerker Communicatie-D, thans Medewerker PR en Communicatie, bij het Openbaar Ministerie (het OM). 1.3 Als onderdeel van de door hem in die functie te verrichten werkzaamheden fungeerde klager als aanspreekpunt van het OM voor wat betreft externe communicatie. Onder meer hield klager zich bezig met het voorbereiden van persconferenties en andere publicitaire aangelegenheden alsook adviseren of begeleiden van OM-functionarissen over communicatieve aspecten bij publieke optreden. Zo nodig trad klager op als woordvoerder van het OM. Voor externe communicatie maakte klager vaak gebruik van de facebook pagina van het OM. 1.4 Op 4 december 2018 heeft wijlen [WSA] ([A]) op zijn facebook pagina de volgende post geplaatst: “[klager] bai labaaa bo sankaaaa” 1.5 Op 20 december 2018 in de ochtenduren is [A] door een motorongeluk omgekomen. 1.6 Op dezelfde ochtend heeft klager via zijn privé facebook pagina op de facebook pagina van [A] de volgende posts geplaatst: “Awelsi. Ken ta laba sanka awor …” “Awelsi. Karma is a bitchhhhhh” “Awe mainta nan ta laba su sanka pe ……” Klager heeft deze posts vrijwel direct daarna verwijderd. Enkele personen hebben van deze posts schermafbeeldingen gemaakt en die vervolgens verspreid. 1.7 Later op die dag heeft klager aan de hoofdofficier van justitie, mr. H.S.R. de Jong (De Jong), en aan de procureur-generaal, mr. R.T. Bos (Bos), herhaaldelijk te kennen gegeven dat hij niet zelf die posts heeft geplaatst, maar dat zijn facebook pagina gehackt moet zijn geweest en dat een ander onder zijn naam die posts heeft geplaatst. 1.8 Het OM heeft – afgaande op die verklaring – op dezelfde dag een persbericht gepubliceerd, waarin wordt medegedeeld dat klager de posts niet zelf heeft geplaatst, maar dat zijn facebook account gehackt was en dat een onderzoek zal worden gedaan daarnaar. 1.9 Klager heeft vervolgens op die dag aangifte gedaan bij de politie. In het proces-verbaal van deze aangifte heeft klager (onder meer) als volgt verklaard: “(…)Vandaag in de ochtenduren waren er verschillende whatsappberichten waarin je kon zien dat ik op de facebook pagina van een persoon genaamd [WSA] heb geschreven (…). (…) Ik heb niets op de facebook pagina van de overleden persoon geplaatst noch op het door hem geplaatste bericht gereageerd. Mijn facebook account “[klager]” is vermoedelijk door een voor mij onbekend persoon gehackt of gebruikt. (…)” De politie heeft naar aanleiding van deze aangifte een onderzoek ingesteld. 1.10 Op 28 december 2020 heeft de moeder van [A] op grond van de klachtenregeling van het OM een klacht ingediend over de posts van klager bij het OM. 1.11 Op 29 december 2018 heeft klager aan De Jong te kennen gegeven dat het toch geen hack is geweest en dat hij de posts zelf heeft geplaatst. De Jong gaf aan klager te kennen dat hij niet meer als OM voorlichter naar buiten mocht treden. De Jong gaf vervolgens opdracht om klager als verdachte te horen. 1.12 Op dezelfde dag heeft klager bij de politie een nadere verklaring afgelegd. In het desbetreffende proces-verbaal is onder meer de volgende verklaring opgenomen: “Ik heb iets stom gedaan door te zeggen dat mijn “facebook” account gehackt werd. Mijn “facebook” account is niet gehackt en niemand anders heeft beledigende berichten richten wijlen [WSA] gepost. Ik heb het zelf gedaan (…). De aangifte die ik gedaan heb, is niet helemaal correct. Het gedeelte (…) over het hacken van mijn “facebook” account klopt niet. Ik weet dat dit strafbaar is. (…)” 1.13 Op 2 januari 2019 heeft Bos als klager’s leidinggevende, in het bijzijn van het hoofd human resources, een gesprek gehouden met klager, waarbij klager is geconfronteerd met (onder meer) het door hem in strijd met de waarheid gedane aangifte van hacking. 1.14 Op dezelfde dag heeft de minister van Justitie klager de toegang tot alle dienstlokalen van de overheid ontzegd. 1.15 Bij brief van 24 januari 2019 heeft verweerster klager in kennis gesteld van het voornemen hem wegens een door hem gepleegde ernstig plichtsverzuim de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag op te leggen. 1.16 Bij verweerschrift van 5 februari 2019 heeft klager daarop gereageerd. 1.17 Bij het ontslagbesluit is klager met ingang van 1 april 2019 ontslagen: primair wegens plichtsverzuim, opleverende niet-integere gedrag van klager; subsidiair wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken, althans dat er geen voldoende waarborg (meer) aanwezig is dat hij zijn plicht als ambtenaar onder alle omstandigheden getrouwelijk zal volbrengen; meer subsidiair wegens een geconstateerde vertrouwensbreuk die aan zijn behoorlijke functioneren en/of aan het behoorlijk functioneren van het OM in de weg staat. standpunten van partijen 2. Aan het bezwaar legt klager onder meer ten grondslag dat geen sprake is van plichtsverzuim. Hij heeft de posts in een opwelling geplaatst vanuit zijn privé facebook account op de besloten facebook pagina van [A] als reactie op diens denigrerende post. Klager’s posts waren dus niet geplaatst in het kader van de door hem te verrichten werkzaamheden, zodat niet kan worden gezegd dat hij zijn ambtsplicht heeft geschonden. Bovendien heeft hij binnen één uur die posts verwijderd. Dat schermafbeeldingen daarvan zijn gemaakt en verspreid, waardoor commotie in de samenleving is ontstaan, kan klager niet worden verweten. Los daarvan, heeft klager nooit de intentie gehad om valse aangifte te doen van hacking. Omdat hij onder intense druk van doodsbedreigingen verkeerde en zichzelf wilde beschermen, heeft hij in eerste instantie bij het OM verklaard dat hij niet zelf de posts heeft geplaatst en dat zijn facebook account gehackt was. Aangezien de doodsbedreigingen verder toenamen en het OM daarop aandrong, zag klager zich genoodzaakt om toch aangifte te doen. Hij stond er niet bij stil dat zijn verklaring als een valse aangifte kon worden aangemerkt met als gevolg een strafrechtelijk onderzoek tegen hem. Hij dacht dat hij – zodra de rust zou zijn teruggekeerd – zijn aangifte kon intrekken en verklaren wat er daadwerkelijk is gebeurd. Weliswaar heeft hij fouten gemaakt, maar die heeft hij gecorrigeerd door alsnog de waarheid te verklaren. Ook deze omstandigheden maken dat niet kan worden gesproken van een door hem gepleegd plichtsverzuim. Klager verzoekt daarom om het ontslagbesluit nietig te verklaren. 3. Verweerster brengt kort gezegd hiertegen in dat klager, door (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.