Uitspraak van 7 september 2020 Gaza nr. AUA201904488 GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA UITSPRAAK op het bezwaar van: [klaagster], wonend te Aruba, KLAAGSTER, gemachtigde: de advocaat mr. P.M.E. Mohamed, gericht tegen: de Directeur van de Sociale Verzekeringsbank, zetelend te Aruba, VERWEERDER, gemachtigde: dhr. A. Lumenier (DWJZ). PROCESVERLOOP Bij brief van 23 juli 2019 heeft klaagster gerappelleerd op haar verzoek van 29 januari 2018 tot heroverweging van de weigering om aan haar vakantiedagen uit te betalen. Tegen het uitblijven van een beslissing op haar verzoek heeft klaagster op 30 oktober 2019 bezwaar gemaakt bij het gerecht. Verweerder heeft op 17 en 18 augustus 2020 stukken ingediend. Het gerecht heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 augustus 2020, alwaar zijn verschenen partijen bij hun gemachtigden voornoemd. De uitspraak is bepaald op heden. OVERWEGINGEN Het wettelijk kader 1.1 Voor zover hier van belang bepaalt artikel 35, eerste lid, van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (hierna: de La) dat een bezwaarschrift kan worden ingediend tegen een weigering om te beschikken. Blijkens de memorie van toelichting op deze bepaling is hiermee beoogd de ambtenaar niet alleen te beschermen tegen daden, maar ook tegen verzuim, nalatigheid, achterwege blijven van handelingen of beschikkingen, opzettelijk of uit zorgeloosheid. 1.2 Artikel 41, eerste lid van de La bepaalt, zover hier van belang, dat het bezwaarschrift moet worden ingediend binnen dertig dagen na de dag waarop de aangevallen weigering is uitgesproken. Het tweede lid bepaalt dat een orgaan wordt geacht de weigering tot het nemen van een beschikking te hebben uitgesproken, indien het binnen de daarvoor bepaalde tijd of, waar een tijdsbepaling ontbreekt, binnen redelijke tijd een verplichte beschikking niet genomen heeft. In dit geval loopt de termijn van dertig dagen van de dag, waarop de weigering geacht wordt te zijn uitgesproken. 1.3 Volgens vaste jurisprudentie van dit gerecht wordt in het algemeen als redelijke termijn, waarbinnen het bevoegd gezag geacht wordt een weigering om te beschikken op een verzoek te hebben uitgesproken, aangenomen een termijn van één jaar nadat het (schriftelijk) verzoek is ingediend. De feiten 2.1 Bij beslissing van 7 september 2012 heeft verweerder aan klaagster bericht dat haar vakantiedagen tot en met 2012 in totaal 27 betrof en dat zij gedurende haar schorsingsperiode geen recht had op vakantiedagen. 2.2 Bij brief van 29 januari 2018 heeft klaagster aan verweerder verzocht om zijn beslissing van 7 september 2020 te heroverwegen en alsnog over te gaan tot uitbetaling of toekenning van de door haar verzochte vakantiedagen. 2.3 Bij brief van 23 juli 2019, met als onderwerp rappel inzake verzoek 29 januari 2019 – uitleg uitbetaling c.q. opneming vakantiedagen, heeft klaagster aan verweerder verzocht om vóór 30 september 2019 op het onder 2.2 genoemde verzoek te beslissen. 2.4 Tegen het uitblijven van een beslissing op haar verzoek heeft klaagster op 31 oktober 2019 onderliggende verzoekschrift bij het gerecht ingediend. De beoordeling
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.