Uitspraak van 17 februari 2021 Gaza nr. AUA202001484 HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA UITSPRAAK op het bezwaar van: [Klaagster], wonend in Aruba, KLAAGSTER, gemachtigde: de advocaat mr. C.F.K.J. Lejuez, gericht tegen: de Gouverneur van Aruba, zetelend in Aruba, VERWEERDER, gemachtigde: mr. Y.F.M. Kaarsbaan (DWJZ). PROCESVERLOOP Bij beslissing van 19 maart 2019 (hierna: de bestreden beschikking) heeft verweerder aan klaagster bericht dat haar verzoek om met ingang van 1 oktober 2016 naar de rang van commies (schaal 8) te bevorderen niet voor inwilliging vatbaar is. Hiertegen heeft klaagster op 24 juni 2020 bezwaar gemaakt, door indiening van een bezwaarschrift bij dit gerecht. Verweerder heeft op 5 augustus 2020 een contramemorie ingediend. Klaagster heeft op 8 december 2020 nadere stukken per e-mail ingediend. Het gerecht heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 december 2020, alwaar zijn verschenen klaagster bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd, en verweerder bij zijn gemachtigde voornoemd. De uitspraak is bepaald op heden. OVERWEGINGEN De ontvankelijkheid 1.1 Ingevolge artikel 41, eerste lid, van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (hierna: La), dient het bezwaarschrift te worden ingediend binnen dertig dagen te rekenen vanaf de dag waarop de aangevallen beschikking is uitgesproken. Het derde lid van dit artikel bepaalt dat, indien het bezwaar na de daarvoor bepaalde termijn is ingediend, de indiener niet op grond daarvan niet-ontvankelijk wordt verklaard, indien hij ten genoegen van de rechter aantoont het bezwaar te hebben ingebracht binnen dertig dagen na de dag waarop hij van de aangevallen beschikking kennis heeft kunnen dragen. 1.2 Klaagster heeft haar bezwaarschrift na het verstrijken van de in artikel 41, eerste lid, van de La gestelde termijn ingediend. Zij heeft echter aangevoerd de bestreden beschikking pas op 25 mei 2020 te hebben ontvangen, hetgeen door verweerder niet is betwist. Het tegendeel blijkt ook niet uit de gedingstukken. Dit betekent dat het bezwaar is ingediend binnen de in artikel 41, derde lid, van de La gestelde termijn. Klaagster is derhalve ontvankelijk in haar bezwaar. De feiten 2.1 Bij landsbesluit van 30 juni 2003 is klaagster met ingang van 1 oktober 2002 in tijdelijke dienst benoemd in de rang van klerk 1ste klasse (schaal 4) bij het Toeristenbureau. 2.2 Bij landsbesluit van 11 juni 2010 is klaagster met ingang van 1 oktober 2006 naar de rang van hoofdklerk (schaal 5) bevorderd. 2.3 Bij landsbesluit van 7 februari 2011 is klaagster met ingang van 1 oktober 2010 naar de rang van adjunct-commies (schaal 6) bevorderd. 2.4 Bij landsbesluit van 24 november 2011 is klaagster met ingang van 1 juni 2011 geplaatst in de functie van medewerker debiteuren/crediteuren op de afdeling Financieel Beheer/ Algemene Zaken bij de Dienst Openbare Werken (DOW). 2.5 Bij landsbesluit van 30 november 2016 is klaagster met ingang van 1 januari 2011 in vaste dienst benoemd. 2.6 Bij brief van 25 november 2016 heeft klaagster verzocht om naar de rang van adjunct-commies (schaal 7) te worden bevorderd. 2.7 Bij brief van 27 september 2017 heeft de directeur van de DOW een voorstel gedaan om klaagster met ingang van 1 oktober 2014 naar de rang van adjunct-commies 1ste klasse (schaal 7) en met ingang van 1 maart 2017 naar de rang van commies (schaal 8) te bevorderen. 2.8 Bij landsbesluit van 16 oktober 2018 en beschikking van 7 januari 2019 is klaagster conform het voorstel van de directeur met ingang van 1 oktober 2014 naar schaal 7 en met ingang van 1 maart 2017 naar de schaal 8 bevorderd. 2.9 Bij uitspraak van dit gerecht van 2 december 2019 (AUA201900673) heeft het gerecht het bezwaar van klaagster gericht tegen de beschikking van 7 januari 2019 gegrond verklaard, en is verweerder opgedragen om een nieuwe beslissing te nemen op het bevorderingsverzoek van klaagster. 2.10 Bij schrijven van het Departamento di Recurso Humano (DRH) is geadviseerd om de datum van 1 maart 2017 als ingangsdatum van klaagsters bevordering naar schaal 8 te handhaven. 2.11 Bij bestreden beschikking van 19 maart 2019 is klaagster bericht dat haar verzoek om met ingang van 1 oktober 2016 naar de rang van commies (schaal 8) te bevorderen niet voor inwilliging vatbaar is. De standpunten van partijen 3.1 Klaagster betoogt dat haar verzoek om haar met ingang van 1 oktober 2016 naar de rang van commies (schaal 8) te bevorderen ten onrechte is afgewezen. Klaagster voert hiertoe – kort samengevat – aan dat zij gedurende de periode van 2011 tot en met 2016 elk jaar gunstig is beoordeeld, zodat zij aan de bevorderingseisen voldoet om met ingang van 1 oktober 2016 naar de verzochte rang te worden bevorderd. Bij uitspraak van dit gerecht van 2 december 2019 is reeds overwogen dat klaagster bij een gunstige beoordeling met ingang van 1 oktober 2016 in aanmerking komt voor een bevordering naar de rang van commies (schaal 8). De periode van arbeidsongeschiktheid kan derhalve niet (wederom) een verhindering vormen om haar met ingang van 1 oktober 2016 te bevorderen. Ook kan de periode van arbeidsongeschiktheid niet (wederom) een grond opleveren om haar bevordering te vertragen. De bestreden beschikking is derhalve in strijd het rechtszekerheids-, zorgvuldigheids-, motiverings-, gelijkheids-, en redelijkheidsbeginsel, aldus klaagster. 3.2 Aan de bestreden beslissing heeft verweerder (wederom) ten grondslag gelegd dat klaagster vanwege haar arbeidsongeschiktheid niet kon worden beoordeeld, waardoor zij op 1 oktober 2016 niet voldeed aan het vereiste van een goede beoordeling. Om deze redenen is de bevordering (naar schaal 8) met vijf maanden vertraagd. Middels het landsbesluit van 16 oktober 2018 is klaagster dan ook met ingang van 1 maart 2017 naar de rang van commies (schaal 8) bevorderd. Verweerder concludeert dat het verzoek van klaagster om met ingang van 1 oktober 2016 naar de rang van commies (schaal 8) te worden bevorderd, dan ook niet voor inwilliging vatbaar is. Het wettelijk kader 4.1 Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (de Lma) geschieden aanstelling en bevordering, voor zover daaromtrent regelen zijn vastgesteld, overeenkomstig deze regelen. 4.2 Op grond van artikel 4 van de Bezoldigingsregeling Aruba (de BRA) dient een ambtenaar om in aanmerking te komen voor een bevordering te voldoen aan de in bijlage B opgenomen bevorderingseisen en voorts voor de vervulling van die betrekking geschikt en bekwaam te worden geacht. 4.3 Volgens de tabel voor administratieve ambtenaren gelden voor een bevordering naar commies de volgende vereisten: C. commies (schaal 8) a. als onder B; b. bevordering op grond van de door de betrokkene beklede functie, welke een waardering op het niveau van commies rechtvaardigt en voorts met dien verstande dat de betrokkene reeds ten minste twee jaar dienst in de rang van adjunct-commies 1ste klasse moet hebben volbracht; c. vacature; of d. diploma hoger financieel bestuursambtenaar; e. vacature; of f. staatspraktijkdiploma voor bedrijfsadministratie (S.P.D. II); g. vacature. De beoordeling
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.