Uitspraak van 22 november 2021 Gaza nr. AUA202102068 GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA UITSPRAAK op het bezwaar van: [Klaagster], wonende te Aruba, KLAAGSTER, gemachtigde: mr. N. de Vos, gericht tegen: DE GOUVERNEUR VAN ARUBA, zetelende te Aruba, VERWEERDER, gemachtigde: mr. M.P. Jansen (DWJZ). PROCESVERLOOP Bij brief van 7 mei 2021 heeft klaagster verzocht om haar met ingang van 1 november 2015 naar schaal 6 en met ingang van 1 november 2019 naar schaal 7 te bevorderen. Tegen het uitblijven van een beslissing op haar verzoek(en) heeft klaagster op 23 juli 2021 bezwaar gemaakt bij het gerecht. Verweerder heeft op 30 september 2021 een contramemorie ingediend. Het gerecht heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 oktober 2021, alwaar zijn verschenen klaagster in persoon, bijgestaan door haar voornoemde gemachtigde, en verweerder bij zijn voornoemde gemachtigde. De uitspraak is bepaald op heden. OVERWEGINGEN De ontvankelijkheid 1.1 Verweerder heeft in zijn contramemorie geconcludeerd tot de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar, nu deze is ingediend na het verlopen van de redelijke termijn van een jaar. Daartoe is aangevoerd dat klaagster bij brief van 25 februari 2020 heeft verzocht om te worden bevorderd, en onderhavig bezwaarschrift niet is ingediend binnen de redelijke tijd van dertig dagen na verloop van een jaar. 1.2 Het gerecht overweegt als volgt. Artikel 35, eerste lid, van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) bepaalt - voor zover van belang - dat een bezwaarschrift kan worden ingediend ter zake dat weigeringen om te beschikken of te handelen ten aanzien van de ambtenaar als zodanig door een administratief orgaan genomen, verricht of uitgesproken, feitelijk of rechtens met de toepasselijke algemeen verbindende voorschriften strijden, of dat bij het nemen, verrichten of uitspreken daarvan het administratief orgaan van zijn bevoegdheid kennelijk een ander gebruik heeft gemaakt dan tot de doeleinden waarvoor die bevoegdheid is gegeven. Blijkens de memorie van toelichting op deze bepaling is hiermee beoogd de ambtenaar niet alleen te beschermen tegen daden, maar ook tegen verzuim, nalatigheid, achterwege blijven van handelingen of beschikkingen, opzettelijk of uit zorgeloosheid. 1.3 Artikel 41, eerste lid, van de La, bepaalt dat het bezwaarschrift tegen een weigering wordt ingediend binnen dertig dagen na de dag waarop de aangevallen weigering uitgesproken is. Het tweede lid bepaalt dat een orgaan wordt geacht de weigering tot het nemen van een beschikking of het verrichten van een handeling te hebben uitgesproken, indien het binnen de daarvoor bepaalde tijd of, waar een tijdsbepaling ontbreekt, binnen redelijke tijd een verplichte beschikking niet genomen of een verplichte handeling niet verricht heeft. In dit geval loopt de termijn van dertig dagen van de dag waarop de weigering geacht wordt te zijn uitgesproken. 1.4 Nu verweerder geen beslissing heeft genomen op het op 7 mei 2021 ingediend verzoek van klaagster mocht zij, gelet op de aard van dat verzoek en nu verweerder al vanaf februari 2020 geacht moet worden bekend te zijn met haar wens om te worden bevorderd, ten tijde van het indienen van haar bezwaarschrift aannemen dat verweerder heeft geweigerd op haar verzoek te beslissen. Het gerecht stelt voorop dat de weigering om te beschikken niet als een afwijzende beschikking, noch als een goedkeurende beschikking wordt gekwalificeerd. De mogelijkheid van het instellen van een rechtsmiddel tegen de weigering om te beschikken is primair een procedureel middel dat kan worden ingezet om het bestuursorgaan te bewegen tot besluitvorming (vgl. Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van 21 oktober 2009, ECLI:NL:ORBANAA:2009:BK9368). Klaagster is gelet op het bovenstaande dan ook ontvankelijk in haar bezwaar. De standpunten van partijen 2.1 Klaagster kan zich niet verenigen met de weigering van verweerder te beslissen op haar bevorderingsverzoek en heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat deze weigering onredelijk en onrechtmatig is. Ter onderbouwing hiervan heeft zij aangevoerd, dat zij sinds haar indiensttreding op 1 juli 2005 in de rang van hoofdklerk in schaal 5, nooit is bevorderd, terwijl zij steeds is geplaatst in functies die minstens op het niveau van schaal 6 waren gewaardeerd. Vanaf augustus 2018 bekleedt zij een functie die is gewaardeerd op het niveau van schaal
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.