Uitspraak van 6 december 2021 Gaza nr. AUA202100374 HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA UITSPRAAK op het bezwaar in de zin van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van: [Klager], wonend te Aruba, KLAGER, gemachtigde: mr. E. Duijneveld, tegen: DE GOUVERNEUR VAN ARUBA, zetelend te Aruba, VERWEERDER, gemachtigde: mr. C. Geerman (DWJZ). PROCESVERLOOP Bij landsbesluit van 21 december 2020 (het bestreden landsbesluit) heeft verweerder besloten om met toepassing van artikel 83, eerste lid, aanhef en onder d, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) aan klager een disciplinaire straf opgelegd van gedeeltelijke inhouding van inkomen ter grootte van Afl. 3.000,-. Hiertegen heeft klager op 10 februari 2021 bezwaar gemaakt bij het gerecht. Verweerder heeft een op 20 mei 2021 een contramemorie ingediend. De zaak is behandeld ter zitting van 25 oktober 2021, alwaar zijn verschenen klager bij zijn gemachtigde voornoemd, en verweerder bij zijn gemachtigde voornoemd bijgestaan door mw. G. Helder (HR medewerker Douane). De uitspraak is bepaald op heden. OVERWEGINGEN De ontvankelijkheid 1.1 Ingevolge artikel 41, eerste lid, van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (hierna: La), dient het bezwaarschrift te worden ingediend binnen dertig dagen te rekenen vanaf de dag waarop de aangevallen beschikking is uitgesproken. Het derde lid van dit artikel bepaalt dat, indien het bezwaar na de daarvoor bepaalde termijn is ingediend, de indiener niet op grond daarvan niet-ontvankelijk wordt verklaard, indien hij ten genoegen van de rechter aantoont het bezwaar te hebben ingebracht binnen dertig dagen na de dag waarop hij van de aangevallen beschikking kennis heeft kunnen dragen. 1.2 Klager heeft zijn bezwaarschrift na het verstrijken van de in artikel 41, eerste lid, van de La gestelde termijn ingediend. Hij heeft echter aangevoerd het bestreden landsbesluit op 12 januari 2021 te hebben ontvangen, hetgeen door verweerder niet is betwist. Dit betekent dat moet worden aangenomen dat het bezwaar is ingediend binnen de in artikel 41, derde lid, van de La gestelde termijn. Klager is ontvankelijk in zijn bezwaar. De feiten 2.1 Klager is als ambtenaar werkzaam bij de sectie Haven Barcadera van het Departamento di Aduana (DAD) in de functie van chef sectie Haven. 2.2 Bij e-mail van 22 januari 2019 heeft klager aan de havenwachtlopers een inventarisatielijst toegestuurd van de vuurwapens en patronen die zich in de wapenkast van Haven Barcadera bevinden en aan hen een e-mail gestuurd met de instructie dat de dienstdoende wachtmeester een controle moet uitvoeren van de aanwezige vuurwapens en patronen en dat die moeten kloppen met die inventarisatielijst. Klager voegde daaraan toe dat indien de werkelijke aantallen vuurwapens en patronen niet kloppen met de inventarisatielijst, de dienstdoende wachtmeester een verklaring van bevindingen moet opmaken (hierna: de ddienstinstructie). 2.3 Bij inter-bureau memo van 8 februari 2019 heeft klager de dienstinstructie herhaald. Daarbij heeft hij nog verduidelijkt dat de controle elke dag en bij elke wacht feitelijk uitgevoerd moet worden en het resultaat daarvan in een wachtrapport moet worden opgenomen. 2.4 Nadien heeft, naar aanleiding van de gegeven dienstinstructie, een overleg plaatsgevonden tussen klager, als chef sectie haven en dienstleider, de overige dienstleiders en de vakbond. Daarbij is namens de dienstleiders en de vakbond aan klager te kennen gegeven dat uitvoering van de dienstinstructie zinloos is, gelet op de omstandigheden waaronder deze controles plaatsvinden. 2.5 Op 19 juli 2019 werd tijdens een inventarisatie van de goederen in de wapenkast te Haven Barcadera geconstateerd dat een vuurwapen (inclusief patroonhouder) en 15 patronen ontbraken. Het betreft het vuurwapen ‘Glock 17 serie nr. [nummer]. Van die inventarisatie is een proces-verbaal opgemaakt. 2.6 Bij brief van 4 september 2019 heeft de directeur DAD te kennen gegeven dat klager zich schuldig zou hebben gemaakt aan plichtsverzuim. 2.7 Bij brief van 6 september 2019 is klager de toegang tot de dienstlokalen, -gebouwen, -terreinen, -computers, en -voertuigen van het DAD voor de duur van zes weken ontzegd. De toegangsontzegging is bij brief van 18 oktober 2019 met zes weken verlengd. 2.8 Bij brief van 24 juni 2020 is klager in de gelegenheid gesteld zich schriftelijk tegenover verweerder te verantwoorden ter zake vermoedelijk door hem gepleegd plichtsverzuim. 2.9 Bij brief van 27 juli 2020 heeft klager van deze gelegenheid gebruik gemaakt. 2.10 Bij brief van 7 oktober 2020 heeft de directeur DAD op klagers verantwoording gereageerd. 2.11 Bij bestreden landsbesluit is aan klager de disciplinaire straf van gedeeltelijke inhouding van inkomen ter grootte van Afl. 3.000,- opgelegd. Standpunten van partijen 3.1 Aan het bestreden landsbesluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat verweerder plichtsverzuim heeft gepleegd, omdat hij als chef - kort samengevat -: de directeur niet op de hoogte heeft gebracht dat een dienstwapen en patronen werden vermist; geen verklaring van de bevindingen heeft opgemaakt; de toegang tot de kluis niet had gecontroleerd dan wel de procedure niet had gevolgd; de procedure voor wat betreft de wapenoverdracht niet heeft gevolgd; de procedure voor wat betreft het controleren en bijhouden van de kogelwerende vesten heeft gevolgd; de procedure voor wat betreft het controleren en bijhouden van de dienstportofoons heeft gevolgd. 3.2 Klager kan zich niet verenigen met de hem bij het bestreden landsbesluit opgelegde disciplinaire straf. Klager betoogt hiertoe dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Klager erkent dat hij inderdaad niet elke keer de feitelijke controle van de dienstwapens en patronen heeft uitgevoerd dan wel heeft laten uitvoeren, maar stelt hierbij dat hij te kampen had met een onderbezetting, waardoor het niet telkens mogelijk was om een inventarisatie te (laten) doen. Klager voert voorts aan dat de opbergruimte niet aan de normen voldeed om de wapens te bewaren en dat hij tijdens de vermissing van het wapen op vakantie was, en dat hij pas op 27 augustus 2019 in kennis was gesteld van een vermist dienstwapen en patronen. Klager voert voorts aan dat hij vergeten was te melden dat tijdens een controle op 23 november 2018 een patroon vermist was, en dat hij niet bekend is met enige interne procedure in bijzondere gevallen. Het bestreden landsbesluit kan derhalve niet in stand blijven, aldus klager. Het wettelijk kader 4.1 Ingevolge artikel 47, eerste lid van de Lma, is de ambtenaar gehouden de plichten uit zijn ambt voortvloeiende nauwgezet en ijverig te vervullen en zich te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt. 4.2 Voor zover hier van belang is ingevolge artikel 49, eerste en tweede leden van de Lma, de ambtenaar verplicht de gehele voor hem voorgeschreven werktijd aan de zaken van de overheid te wijden, en is het de ambtenaar verboden gedurende de voorgeschreven werktijd zich bezig te houden met de behartiging van particuliere belangen van zichzelf of van derden. 4.3 Ingevolge artikel 82, eerste lid van de Lma, kan de ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege door het bevoegde gezag disciplinair worden gestraft. 4.4 Ingevolge artikel 83, eerste lid, aanhef en onder d, van de Lma, is de disciplinaire straf, welke kan worden toegepast, inhouding, geheel of gedeeltelijk, van inkomen. Ingevolge het tweede lid en onder c van dit artikel, geschiedt de inhouding van inkomen tot een bedrag van ten hoogste een maand inkomen. De beoordeling
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.