Uitspraak van 6 december 2021 Gaza nr. AUA202100708 HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA UITSPRAAK op het bezwaar in de zin van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van: [Klager], wonend te Aruba, KLAGER, gemachtigde: mr. E. Duijneveld, tegen: DE GOUVERNEUR VAN ARUBA, zetelend te Aruba, VERWEERDER, gemachtigde: mr. C. Geerman (DWJZ). PROCESVERLOOP Bij landsbesluit van 26 januari 2021 (het bestreden landsbesluit) heeft verweerder met toepassing van artikel 83, eerste lid en onder d, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) aan klager de disciplinaire straf van gedeeltelijke inhouding van inkomen ten bedrage van Afl. 500,- opgelegd. Hiertegen heeft klager op 15 maart 2021 bezwaar gemaakt bij het gerecht. Verweerder heeft op 19 augustus 2021 een contramemorie ingediend. De zaak is behandeld ter zitting van 25 oktober 2021, alwaar zijn verschenen klager bij zijn gemachtigde, en verweerder bij zijn gemachtigde voorgenoemd, bijgestaan door G. Helder (HR-medewerker Douane). De uitspraak is bepaald op heden. OVERWEGINGEN De ontvankelijkheid 1.1 Ingevolge artikel 41, eerste lid, van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (hierna: La), dient het bezwaarschrift te worden ingediend binnen dertig dagen te rekenen vanaf de dag waarop de aangevallen beschikking is uitgesproken. Het derde lid van dit artikel bepaalt dat, indien het bezwaar na de daarvoor bepaalde termijn is ingediend, de indiener niet op grond daarvan niet-ontvankelijk wordt verklaard, indien hij ten genoegen van de rechter aantoont het bezwaar te hebben ingebracht binnen dertig dagen na de dag waarop hij van de aangevallen beschikking kennis heeft kunnen dragen. 1.2 Klager heeft zijn bezwaarschrift na het verstrijken van de in artikel 41, eerste lid, van de La gestelde termijn ingediend. Hij heeft echter aangevoerd het bestreden landsbesluit op 16 februari 2021 te hebben ontvangen, hetgeen door verweerder niet is betwist. Dit betekent dat moet worden aangenomen dat het bezwaar is ingediend binnen de in artikel 41, derde lid, van de La gestelde termijn. Klager is ontvankelijk in zijn bezwaar. De feiten 2.1 Klager is als ambtenaar werkzaam bij de sectie Haven Barcadera van het Departamento di Aduana (DAD) in de functie van wachtleider. 2.2 Bij e-mail van 22 januari 2019 heeft de chef van de sectie Haven (chef) aan de haven wachtlopers, waaronder klager, een inventarisatielijst toegestuurd van de vuurwapens en patronen die zich in de wapenkast van Haven Barcadera bevinden. Op dezelfde dag stuurde de chef een e-mail naar de haven wachtlopers met de instructie dat de dienstdoende wachtmeester een controle moet doen van de aanwezige vuurwapens en patronen en dat die moeten kloppen met die inventarisatielijst. De chef voegde daaraan toe dat indien de werkelijke aantallen vuurwapens en patronen niet kloppen met de inventarisatielijst, de dienstdoende wachtmeester een verklaring van bevindingen moet opmaken (dienstinstructie). 2.3 Bij inter-bureau memo van 8 februari 2019 (inter-bureau memo) werd de dienstinstructie herhaald. Daarbij werd nog verduidelijkt dat de controle elke dag en bij elke wacht feitelijk uitgevoerd moet worden en het resultaat daarvan in een wachtrapport moet worden opgenomen. 2.4 Op 19 juli 2019 werd tijdens een inventarisatie van de goederen in de wapenkast te Haven Barcadera geconstateerd dat een vuurwapen (inclusief patroonhouder) en 15 patronen ontbraken. Het betreft het vuurwapen ‘Glock 17 serie nr. [nummer]. Van die inventarisatie is een proces-verbaal opgemaakt. 2.5 Bij brief van 28 juli 2020 heeft de directeur DAD te kennen gegeven dat klager zich schuldig zou hebben gemaakt aan plichtsverzuim. 2.6 Bij brief van 15 september 2020 is klager in de gelegenheid gesteld zich schriftelijk tegenover verweerder te verantwoorden ter zake vermoedelijk door hem gepleegd plichtsverzuim. 2.7 Bij brief van 129 september 2020 heeft klager van deze gelegenheid gebruik gemaakt. 2.8 Bij brief van 7 oktober 2020 heeft de directeur DAD op klagers verantwoording gereageerd. De standpunten van partijen 3.1 Bij het bestreden landsbesluit is aan klager de disciplinaire straf van gedeeltelijke inhouding van inkomen ten bedrage van Afl. 500,- opgelegd. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim, omdat: de dienstleiders ingedeeld bij sectie Haven Barcadera, waaronder klager, regelmatig in hun wachtrapport de inventaris en andere relevante informatie overnamen (copy-paste) van het wachtrapport van de vorige dienstleider, zonder conform de interne procedure een feitelijke controle te hebben uitgevoerd; klager als wachtleider dus geen gevolg heeft gegeven aan de interne procedure van het DAD met betrekking tot de dagelijkse inventarisatielijst dienstvuurwapens en patronen; klager de vereiste feitelijke controle en inventarisatie niet/niet naar behoren heeft uitgevoerd. Niet is gebleken dat deze gedragingen klager niet kunnen worden aangerekend. Het gevolg hiervan is dat niet meer is te achterhalen hoe het vuurwapen en de 15 patronen vermist konden raken. Gelet op de ernst van het plichtsverzuim alsook de voorbeeldfunctie en de werkervaring van klager, acht verweerder de aan hem opgelegde disciplinaire straf niet onevenredig. 3.2 Klager kan zich niet verenigen met de aan hem bij het bestreden landsbesluit opgelegde disciplinaire straf, en betoogt hiertoe als volgt. Klager kan zich niet herinneren dat hij gedurende de desbetreffende periode een controle heeft moeten uitvoeren, waarbij hij niet feitelijk heeft gecontroleerd. Indien zou worden aangenomen, dat dat wel het geval is geweest, voert klager nog het volgende aan. Zolang er vrije toegang is tot het berghok waarin de vuurwapenkluis zich bevindt en de sleutel van die kluis samen wordt bewaard met de sleutel van het berghok, is het volkomen zinloos om elke dag, na elke wacht, een feitelijke inventarisatie te doen. Immers, eenieder kan bij de dienstvuurwapens en munitie komen. Bovendien is sprake van een aanhoudende onderbezetting waardoor een hoge werkdruk bestaat. Over deze bezwaren heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [persoon Y] (dienstleider), de voorzitter van de vakbond (ook dienstleider) en de chef. De chef zou deze bezwaren opnemen met hogerhand en daarna terugkoppelen, maar dat heeft hij nooit gedaan. Gelet hierop kan klager niet althans niet op deze rauwelijkse wijze disciplinair worden gestraft. Klager meent daarom dat het bestreden landsbesluit in strijd is met het motiverings-, het vertrouwens-, het rechtzekerheidsbeginsel en het beginsel van fair play, met het gevolg dat het niet in stand kan blijven. Het wettelijk kader 4.1 Ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Lma, is de ambtenaar gehouden de plichten uit zijn ambt voortvloeiende nauwgezet en ijverig te vervullen en zich te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt. 4.2 Ingevolge artikel 82, eerste lid, kan de ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege door het bevoegde gezag disciplinair worden gestraft. 4.3 Ingevolge artikel 83, eerste lid en onder d, kan als disciplinaire straf worden toegepast, geheel of gedeeltelijke inhouding van inkomen. Ingevolge het derde lid en onder c geschiedt de inhouding van inkomen tot een bedrag van ten hoogste een maand inkomen. De beoordeling
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.