Uitspraak van 15 maart 2021 Gaza nummers AUA202000726, AUA202000735 en AUA202000736 HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA UITSPRAAK op het bezwaar in de zin van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:
(18)vrijmakingsambtenaren. (…)”. 5.3 Klagers hebben van 1 februari 2018 tot 1 september 2019 gewerkt als vrijmakingsambtenaar in het kader van het project “Postbus vrijmaken”. 5.4 In het advies van het Departamento Recurso Humano (DRH) van 24 september 2019 staat – voor zover hier van belang – het volgende: “(…) In principe komen ambtenaren die in de uitoefening van hun functie regelmatig c.q. frequent gebruikmaken van hun eigen vervoer in aanmerking voor een autotoelage. Conform genoemde circulaire zouden de vrijmakingsambtenaren onder de categorieën A, B (onder eerste punt) of C kunnen vallen. Bij onderhavig departement is onvoldoende informatie beschikbaar omtrent gemiddeld verreden kilometers om definitief een autotoelage voor te stellen, vooral omdat er sprake is van 22 vrijmakingsambtenaren. Dit is bijvoorbeeld in vergelijking met de controle-ambtenaren bij het Departamento di Impuesto aan de hoge kant. (…) Geadviseerd wordt om aan bovenstaande kandidaten een autotoelage ter grootte van Afl. 300,- per maand toe te kennen. (…)”. 5.5 Bij de bestreden beschikking is aan elke klager, gelet op het Landsbesluit vergoeding vervoermiddel en de circulaire van 22 december 1987, met ingang van 1 februari 2018 tot 1 september 2019 een maandelijkse autotoelage van Afl. 300,- toegekend. De beoordeling
- Het gerecht stelt voorop dat het toekennen van een maandelijkse autotoelage geen recht of automatisme is. Het blijft een discretionaire bevoegdheid van de betrokken minister om bij voldoening aan de gestelde criteria te beslissen over de toekenning van die toelage. Dit brengt met zich mee dat het gebruik van die bevoegdheid door het gerecht slechts terughoudend kan worden getoetst. Bij die toetsing dient het gerecht te beoordelen of verweerder na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de bestreden beschikking heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met enige rechtsregel of met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
- Zoals het gerecht eerder heeft overwogen (zie bv. uitspraak d.d. 22 april 2009, GAZA 3553 van 2008) beogen de variabele kilometervergoeding en de vaste autovergoeding ambtenaren een compensatie te bieden voor (werkelijke) kosten die zij maken door het gebruik van de eigen auto voor de dienst, waarbij de hoogte van de toe te kennen autotoelage wordt bepaald door de intensiteit van het gebruik van het eigen vervoermiddel ten behoeve van de dienst. Een relevante factor daarbij is in elk geval de in aanmerking te nemen kosten van de auto (voor benzine/diesel, verzekering, onderhoud en afschrijving). Het Lbvv strekt evenwel niet tot een aanspraak van de ambtenaar op een volledige vergoeding van alle kosten voor het gebruik van een eigen auto voor de dienst.
- In dit geval heeft het diensthoofd van klagers voorgesteld om aan klagers en 19 andere collega’s een maandelijkse autotoelage toe te kennen van Afl. 300,-. De DRH heeft dit voorstel ondersteund. Ter zitting is gebleken dat klagers niet hebben bijgehouden hoeveel kilometers zij elk met hun eigen auto ten behoeve van de dienst hebben gereden. Op grond waarvan zij menen in aanmerking te komen voor de autotoelage van Afl. 700,-, is daarom onduidelijk gebleven. Uitgaande van een vergoeding van Afl. 0,60 per gereden kilometer, zou dat voor een autotoelage van Afl. 700,- per maand namelijk betekenen, dat klagers (en hun 19 collega’s) maandelijks meer dan 1.167 km elk met hun eigen auto ten behoeve van de dienst rijden. Hiervan is niet gebleken. Hun stelling dat zij hun eigen auto dagelijks ten behoeve van de dienst gebruiken, is daartoe onvoldoende.
- Het gerecht is van oordeel dat verweerder zich bij het bepalen van de hoogte van de autotoelage op het voorstel van de directeur van de DAD en het advies van DRH heeft mogen baseren en op goede gronden heeft geconcludeerd dat het autogebruik van klagers een vergoeding van Afl. 300,- per maand rechtvaardigt.
- De slotsom is dat het bezwaar ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De rechter in dit gerecht: - verklaart het bezwaar van de onderscheiden klagers telkens ongegrond. Deze uitspraak is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 15 maart 2021 in aanwezigheid van de griffier. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen hoger beroep instellen bij de Raad van beroep in ambtenarenzaken. Daarbij dient de volgende termijn in acht te worden genomen: Als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest: binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak; In de andere gevallen: binnen dertig dagen na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak. Het beroepschrift moet worden ingediend bij: De griffie van de Raad van Beroep in ambtenarenzaken J.G. Emanstraat 51 Oranjestad Aruba U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:
- Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;
- Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende: a. de naam en het adres van de indiener of de gemachtigde, b. de datum van ondertekening, c. waartegen u in hoger beroep komt, d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep). Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.