Uitspraak van 21 juni 2021 Gaza nr. AUA202002422 HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA UITSPRAAK op het bezwaar van: [Klaagster], wonend in Aruba, KLAAGSTER gemachtigde: mr. L.A. Hernandis, gericht tegen: DE GOUVERNEUR VAN ARUBA, zetelend in Aruba, VERWEERDER, gemachtigde: mr. C.L. Geerman (DWJZ). PROCESVERLOOP Bij landsbesluit van 4 augustus 2020 no. 2 (het bestreden landsbesluit) heeft verweerder aan klaagster met ingang van 29 oktober 2019 een uitkering bij wijze van pensioen toegekend naar reden van Afl. 1.968,- ’s jaars. Hiertegen heeft klaagster op 1 oktober 2020 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft op 11 februari 2021 een contramemorie ingediend. Het gerecht heeft de zaak behandeld ter zitting van 1 maart 2021, waar partijen, vertegenwoordigd door hun gemachtigden, zijn verschenen. De uitspraak is nader bepaald op heden. OVERWEGINGEN De ontvankelijkheid 1.1 Ingevolge artikel 41, eerste lid, van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (hierna: La), dient het bezwaarschrift te worden ingediend binnen dertig dagen te rekenen vanaf de dag waarop de aangevallen beschikking is uitgesproken. Het derde lid van dit artikel bepaalt dat, indien het bezwaar na de daarvoor bepaalde termijn is ingediend, de indiener niet op grond daarvan niet-ontvankelijk wordt verklaard, indien hij ten genoegen van de rechter aantoont het bezwaar te hebben ingebracht binnen dertig dagen na de dag waarop hij van de aangevallen beschikking kennis heeft kunnen dragen. 1.2 Klaagster heeft het bezwaarschrift na het verstrijken van de in artikel 41, eerste lid, van de La gestelde termijn ingediend. Klaagster heeft betoogd dat zij het bestreden landsbesluit op 4 september 2020 heeft ontvangen, hetgeen door verweerder niet is weersproken. Het tegendeel blijkt ook niet uit de gedingstukken. Dit betekent dat moet worden aangenomen dat het bezwaar is ingediend binnen de in artikel 41, derde lid, van de La gestelde termijn. Het op 1 oktober 2020 ingediende bezwaarschrift is ontvankelijk. De feiten 2.1 Klaagster is op 16 december 1985 in dienst getreden als ambtenaar in tijdelijke dienst bij de voormalige Gezondheidsdienst. 2.2 Bij landsbesluit van 7 januari 2015 heeft verweerder klaagster met ingang van 1 januari 2015 als ambtenaar in vast pensioengerechtigde dienst benoemd en klaagster gelijktijdig met deze aanstelling opgenomen als deelnemer in het pensioenfonds in de zin van het pensioenreglement van de APFA. 2.3 Bij landsbesluit van 21 november 2018 heeft verweerder aan klaagster met ingang van 29 oktober 2019 eervol ontslag verleend uit overheidsdienst wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. 2.4 Bij brief van 12 november 2019 heeft klaagster verzocht om met ingang van 1 november 2019 in aanmerking te komen voor een uitkering bij wijze van pensioen. 2.5 Bij het bestreden landsbesluit heeft verweerder aan klaagster met ingang van 29 oktober 2019 een uitkering bij wijze van pensioen toegekend naar reden van Afl. 1.968,- ’s jaars. Daaraan heeft verweerder het volgende ten grondslag gelegd: “(…) dat betrokkene bij het verlaten van de dienst een diensttijd van 37 jaar, 5 maanden en 13 dagen heeft volbracht; dat betrokkene reeds over de periode van 1 januari 2012 tot en met 29 oktober 2019 pensioen van de Stichting Algemeen Pensioenfonds Aruba geniet; dat betrokkene onder de witte vlek groep valt, waardoor aan haar een uitkering bij wijze van pensioen voor maximaal 5 jaar kan worden toegekend; dat gelet op de pensioengeldige dienstjaren, die specifiek voor de berekening van de uitkering bij wijze van pensioen van toepassing is, worden vastgesteld op 5 jaar; (…) dat de toekenning en berekening van een uitkering bij wijze van pensioen momenteel echter nog steeds naar analogie van de regelingen genoemd in de Landsverordening leeftijdsgrens ambtenaren en de Pensioenverordening landsdienaren geschieden; dat betrokken ambtenaren aanspraak maken op uitkering bij wijze van pensioen in de volgende gevallen: (…)
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.