Uitspraak van 2 september 2024 Gaza nr. AUA202400754 HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA UITSPRAAK op het bezwaar als bedoeld in de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van: [Klager] wonend te Aruba, KLAGER, gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock, tegen: DE GOUVERNEUR VAN ARUBA, zetelend te Aruba, VERWEERDER, gemachtigde: mr. J.J.S Poeran (DWJZ). PROCESVERLOOP Bij landsbesluit van 1 februari 2024 (het bestreden landsbesluit), door klager ontvangen op 9 februari 2024, heeft de verweerder klager de maatregel van disciplinair strafontslag opgelegd. Daartegen heeft klager op 8 maart 2024 pro-forma bezwaar gemaakt bij dit gerecht. Op 12 april 2024 heeft klager de gronden van zijn bezwaar aangevuld. Verweerder heeft op 31 mei 2024 de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend. Op verzoek van het gerecht heeft verweerder op 7 juni 2024 een overzicht ingezonden. Het gerecht heeft de zaak behandeld ter zitting van 10 juni
(6)gedragingen verweten. Die gedragingen zijn verschillend van aard. Ook de ernst van de verweten gedragingen verschilt. Sommige verweten gedragingen hangen met elkaar samen, andere staan los van elkaar. Het gerecht zal hierna niet alle twaalf verweten gedragingen bespreken. Het gerecht kiest er voor aan de hand van enkele hierna te bespreken gedragingen de vraag te beantwoorden of, gelet op de aard en ernst van elk ervan, deze samen kunnen worden beschouwd als ernstig plichtsverzuim dat de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag rechtvaardigt. Het gerecht verwijst voor deze aanpak naar de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 8 februari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8746, 18 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR0267, 19 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1853. Het gerecht gaat hierna in op de volgende klager verweten gedragingen: Onregelmatige verkoop van dienstgoederen Nevenactiviteiten zonder toestemming Oneigenlijk gebruik van diensttijd 6. De onregelmatigeverkoop van dienstgoederen 6.1 Klager wordt verweten dat hij betrokken is geweest bij de verkoop van een vijftal dienstgoederen (vier voertuigen en een hydro-tester) met een prijs ver beneden de marktwaarde aan de Stichting Brandweer Korps Aruba, zonder dat een openbare verkoop is gehouden en zonder de vereiste toestemming, waardoor in strijd met de artikelen 22, 24 en 28 van de Comptabiliteitsverordening is gehandeld. 6.2 Klager heeft hierover aangevoerd dat het om afgedankte goederen ging, namelijk een aantal wrakken waarvan alle bruikbare onderdelen al door de dienst brandweer waren verwijderd en gebruikt, alsmede een druktestapparaat voor flessen onder druk (waaronder poederblussers). Volgens klager had de dienst brandweer de Dienst Openbare Werken (DOW) benaderd om deze goederen te laten verwijderen van het terrein van de Brandweer Luchthaven nadat de luchthaven daarom had verzocht. Volgens klager heeft DOW aangegeven dat de goederen bijna geen waarde meer hadden, dat het daarom niet de moeite waard was de goederen te komen ophalen, en dat de dienst brandweer de goederen voor een symbolische prijs kon verkopen. Omdat de dienst brandweer zelf geen rechtspersoon is en zelf geen goederen kan verkopen, is voorgesteld dat de Stichting de goederen zou kopen van het Land Aruba en de koopprijs zou storten in de Landskas, hetgeen volgens klager ook is geschied. Als rechtspersoon is de Stichting vervolgens op zoek gegaan naar een derde die de goederen wilde kopen. Klager stelt dat deze “constructie” is besproken met DOW en de toenmalige coördinatoren van de toenmalige minister en dat deze hiervoor mondeling zijn toestemming zou hebben gegeven. De Stichting is er in geslaagd om de goederen voor een wat hogere prijs aan derden te verkopen, te weten voor in totaal Afl 6.500.-. Volgens klager is de koopprijs van de vijf goederen volledig gestort op de rekening van de Stichting en volledig aangewend voor de betaling van de kosten van (opleidingen voor) het personeel van de dienst brandweer, zodat een oogmerk van persoonlijke bevoordeling ontbreekt. Volgens klager is er ook geen overtreding van de Comptabiliteitsverordening. 6.3 Het verwijt betreft de verkoop van de volgende vijf dienstgoederen: voertuig HV-01, een hulpverlenings-materiaalwagen uit 1951. voertuig AP-02, uit 1952 voertuig CT-13, een crash-truck uit 1992 voertuig AS-03, uit 1990/1991 ademluchtfles hydro-tester (dryer en water jacket) 6.4 Aankoop door de Stichting. De Stichting Brandweer Korps Aruba heeft twee bestuursleden, klager als voorzitter en klager [C] als secretaris / penningmeester. In het dossier bevinden zich enkele niet gedateerde ‘processen-verbaal’, waaruit zou moeten blijken dat de dienst brandweer in opdracht van commandant [A] enkele afgeschreven en niet meer in gebruik zijn goederen (o.a. de hydro tester, de CT-13 bouwjaar 1990, AS-03, bouwjaar 1991) op 27 maart 2019 ter verkoop heeft aangeboden, dat de Stichting Brandweer Korps Aruba een door klager opgestelde en ondertekende maar niet gedateerde offerte heeft ingeleverd bij de dienst om het betreffende goed aan te schaffen voor de symbolische prijs van AWG 25.-., dat de dienst daarmee akkoord is gegaan en heeft verzocht na overboeking van het aankoopbedrag op een bankrekening van de Centrale Dienst Brandweer het goed op te halen bij post tango in kamer #50. Uit soortgelijke ‘processen-verbaal’, eveneens ongedateerd, en opgesteld door commandant [A] zou moeten blijken dat de dienst brandweer reeds in februari 2016 respectievelijk op 27 december 2016 de hydro-tester in de openbare verkoop heeft aangeboden, dat [naam bedrijf] hiervoor een ‘offerte’ heeft gedaan voor AWG 2.500.-, en dat de dienst akkoord is gegaan met dat aanbod. De Stichting heeft het aankoopbedrag voor de hydro-tester, de CT-13 en de As-3 op 26 april 2019 gestort op de rekening van de dienst brandweer. 6.5 Verkoop door de Stichting. Volgens de verklaring van [E], is de truck (nummer) op het terrein van de luchthaven aan hem getoond in het bijzijn van klager [B] en heeft hij het koopbedrag van Afl 1.500.- op verzoek van [B] ter plaatse contant afgerekend met klager [C] inclusief AP-02 en AS-03). De hydro-tester is door de Stichting aan [naam] in 2019 uiteindelijk verkocht voor Afl 1.500.-. 6.6 Toestemming voor de verkoop. In zijn brief van 22 september 2020 gericht aan de commandant van de dienst brandweer heeft toenmalig minister van Justitie, Veiligheid en Integratie [naam] gevraagd om opheldering over het feit dat de HV-01, AP-02, CT-13 en AS-03 niet meer aanwezig zijn bij de dienst brandweer. In zijn reactie van 23 september 2020 gericht aan de minister maakt de commandant wel melding van de verkregen toestemming van minister [naam] om voertuig TW-02 te schenken aan de BASA. Daarin wordt echter geen melding gemaakt van toestemming wat betreft eergenoemde vier voertuigen. Niet is gebleken dat de minister daarvoor op een ander moment toestemming heeft gegeven. Dit wordt bevestigd in het mailbericht van 12 november 2021 van voormalig minister [naam] waarin hij aangeeft niet op de hoogte te zijn geweest van de verkooppraktijken en daarmee pas bekend te zijn geworden toen de vakbond hem daarop had gewezen. De minister ontkent in dit bericht (mondelinge) toestemming te hebben gegeven voor de verkoop van ‘afgeschreven’ dienstgoederen. Het gerecht acht de feiten voldoende duidelijk en de verklaring van de minister geloofwaardig en ziet geen aanleiding in te gaan op het verzoek van (o.a.) klager om hierover de voormalig minister en een aantal andere personen als getuige te horen. 6.7 De waarde van de goederen. De waarde van de goederen 1 tot en met 4 is door DOW achteraf vastgesteld op respectievelijk Afl 3.000.- (HV-01), Afl 1.075.- (AP-02), Afl 3.000.- (CT-13) en Afl 2.500.- (AS-03). Het gerecht ziet in hetgeen klager heeft aangevoerd geen reden te twijfelen aan de juistheid van de door DOW vastgestelde (rest)waarde van deze goederen. 6.8 Spelregels voor verkoop. Uit de relevante wettelijke bepalingen in de Comptabiliteitsverordening volgt dat verkoop van (roerende) goederen die eigendom zijn van het land Aruba uitsluitend plaatsvindt door of namens de betrokken minister (artikel 22). Omdat de vijf goederen eigendom waren van het Land Aruba had verkoop namens het Land alleen mogen plaatsvinden door of namens de minister. Het gerecht stelt vast dat de minister met de verkoop pas achteraf bekend is geworden en dat niet is gebleken dat hij daarvoor toestemming heeft verleend. Verder wordt vastgesteld dat de goederen onderhands zijn verkocht en dus niet door middel van een openbare verkoping aan de meestbiedende. Niet is gebleken dat de minister bij beschikking heeft bepaald dat een of meer van de goederen niet in het openbaar behoefde te worden verkocht. Daaruit volgt dat door klager in zijn hoedanigheid van Hoofd repressie, en verantwoordelijk voor het instandhouden van het materieel, is meegewerkt aan handelen in strijd met artikel 22, eerste lid, en artikel 24, eerste en derde lid, van de Cv. 6.9 Op grond van artikel 28, tweede lid, Cv wordt een schenking van een aan het Land toebehorende zaak met een waarde tussen Afl 1.000.- en Afl 10.000.- verricht met machtiging, verkregen bij landsbesluit. Het gerecht heeft hiervoor geoordeeld dat voor de waarde van de vijf goederen moet worden uitgegaan van de door DOW vastgestelde waarde. Vastgesteld wordt dat de waarde van elk van de vijf goederen in genoemde waarde-categorie ligt. Het gerecht is tevens van oordeel dat in dit geval op grond van artikel 28, zesde lid, van de Cv moet worden uitgegaan van een schenking, omdat de waarde van de verkregen tegenprestatie niet in een redelijke verhouding staat tot de waarde van de goederen in het economisch verkeer. Dat de Stichting per goed Afl 25.- heeft betaald en het dus niet een overdracht “om niet” betrof, is gelet hierop niet doorslaggevend. Ook als de waarde van de goederen Afl 1.000.- of minder zou zijn geweest, kan dat klager niet baten. In dat geval had de schenking immers moeten worden verricht door de betrokken minister(
- s)bij een met redenen omklede beschikking. Omdat voor deze schenking geen machtiging was verkregen bij landsbesluit, maar evenmin een beschikking van de betrokken minister(
- s)is afgegeven, is bij de verkoop van de vijf goederen tevens gehandeld in strijd met artikel 28 Cv. 6.10 Het Gerecht rekent het handelen in strijd met de Comptabiliteitsverordening niet alleen de commandant en klagers [C] en [B] aan, maar ook klager als Hoofd preventie, vanwege zijn betrokkenheid bij de verkoop van de goederen. Als verantwoordelijke voor alle vergunningen had klager moeten weten dat de dienst brandweer niet gerechtigd was goederen van de dienst onderhands te verkopen aan een privaatrechtelijke rechtspersoon. Door in strijd met de geldende regels actief mee te werken aan deze verboden verkoop van de goederen van het Land aan de Stichting, een transactie bedacht en uitgevoerd binnen de gelederen van het toenmalige managementteam van de dienst brandweer, waarbij klager een dubbele pet op had (Hoofd preventie en tevens voorzitter van de Stichting), heeft klager zich als ambtenaar schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. 7. Nevenactiviteiten zonder toestemming 7.1 Klager wordt verweten dat hij de functie van bestuurslid en voorzitter van de Stichting Brandweer Korps Aruba bekleedt en als zodanig nevenactiviteiten heeft ontplooid zonder daarvoor goedkeuring van de minister te hebben gevraagd of gekregen. 7.2 Klager heeft hiertegenover gesteld het verwijt ten aanzien van zijn aandeel in de Stichting misplaatst te vinden, omdat de stichting is opgericht met medeweten van de overheid en ter bevordering van de belangen van de ambtenaren werkzaam bij de Dienst Brandweer, zodat het de dienst raakt en niet als werk voor derden kan worden beschouwd. 7.3 In 1992 is opgericht de Stichting Brandweer Korps Aruba, met als doelstelling de bevordering en uitvoering van sociale programma’s voor de brandweergemeenschap, de ontwikkeling van plannen voor sociale bijstand ten behoeve van het korps en hun familieleden en het bevorderen van scholingsactiviteiten ter verbetering van het brandweerkorps. Klager is voorzitter van de stichting. Het gerecht is van oordeel dat ook als “de overheid” weet had van de oprichting van de stichting in 1992 en haar doelstelling en activiteiten, dit klager niet ontslaat van de verplichting voorgenomen nevenactiviteiten te melden en daarvoor toestemming te vragen en te verkrijgen. Niet is gebleken dat klager voor zijn rol als bestuurslid tevens voorzitter van de stichting en voor de activiteiten van de stichting toestemming heeft gevraagd aan of verkregen van de minister. 7.4 Het gerecht is van oordeel dat klager voor deze nevenfunctie bij de Stichting wel toestemming had dienen te vragen. Het begrip ‘nevenbetrekking’ en ‘nevenwerkzaamheden’ als bedoeld in artikel 55 Lma en artikel 1 van het Landsbesluit nevenbetrekkingen en nevenwerkzaamheden dient ruim te worden uitgelegd. De ratio van de meldplicht voorafgaand aan de activiteit is dat het bevoegd gezag in staat wordt gesteld te beoordelen of de voorgenomen nevenactiviteit verenigbaar is met de hoofdfunctie. Het gerecht wil aannemen dat indien klager vooraf toestemming (“vergunning”) zou hebben gevraagd hij die toestemming vermoedelijk zou hebben gekregen. De klager verweten gedraging is echter dat hij in strijd met de regels heeft nagelaten vooraf toestemming te vragen. Dit levert plichtsverzuim op. 7.5 De conclusie is dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat klager zich ook in zoverre aan plichtsverzuim schuldig heeft gemaakt. 8. Oneigenlijk gebruik van diensttijd 8.1 Klager wordt verweten dat hij zich tijdens diensttijd bezighoudt met het regelen van zaken voor de Stichting en/of de verkoop van materialen en voertuigen. 8.2 Klager heeft aangevoerd dat de Stichting met medeweten van de overheid is opgericht ter bevordering van de belangen van de ambtenaren werkzaam bij de dienst brandweer, zodat het de dienst raakt en niet als werk voor derden kan worden beschouwd. 8.3 Het gerecht is van oordeel dat voor zover klager onder werktijd – zonder toestemming van zijn diensthoofd - activiteiten heeft verricht ten behoeve de Stichting dit een schending oplevert van artikel 49 Lma, dat bepaalt dat de ambtenaar verplicht is de gehele voor hem voorgeschreven werktijd aan de zaken van de overheid te wijden (eerste lid) en tevens dat het de ambtenaar verboden is gedurende de voorgeschreven werktijd zich bezig te houden met de behartiging van particuliere belangen van zichzelf of van derden. 8.4 Uit hetgeen hiervoor is vastgesteld over klagers aandeel in de verkoop van goederen van de dienst aan de Stichting moet het ervoor worden gehouden dat klager in ieder geval een deel van zijn diensttijd oneigenlijk heeft gebruikt voor de behartiging van particuliere belangen of de belangen van derden, zoals die van de Stichting. Daarbij betrekt het Gerecht dat niet is gebleken dat klager geheel of gedeeltelijk van dienst was vrijgesteld door het bevoegd gezag voor zijn werkzaamheden ten behoeve van de stichting. Dit leidt tot de conclusie dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. 9. Plichtsverzuim en de gevolgen 9.1 Het gerecht heeft hiervoor geoordeeld dat klager in ieder geval met betrekking tot de onregelmatige verkoop van dienstgoederen, het verrichten van nevenactiviteiten zonder toestemming en het oneigenlijk gebruik van de diensttijd zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Hoewel het aantal verweten gedragingen en de aard en omvang van het plichtsverzuim bij klager minder groot is dan bij de andere drie klagers kwalificeert het gerecht het samenstel van verwijtbare gedragingen en nalaten door klager ook als ernstig plichtsverzuim. Aan ambtenaren in het algemeen maar aan de top van de brandweer in het bijzonder mogen hoge eisen worden gesteld wat betreft integriteit en betrouwbaarheid. Door het ernstige plichtsverzuim en het niet integere handelen van klager, en zijn collega’s, is het aanzien van het ambt en het vertrouwen in de dienstleiding van de dienst brandweer ernstig geschaad. Het gerecht betrekt daarbij dat klager door zijn handelen aanzienlijke financiële schade heeft veroorzaakt ten laste van het Land. Uit het dossier van klager en dat van zijn ontslagen collega’s komt een beeld naar voren komt van een “onaantastbare” leiding van de dienst brandweer, die geheel hun eigen gang gingen en via vriendendiensten en het overtreden van de regels goed voor zichzelf zorgden. Verweerder is op goede gronden tot de conclusie gekomen dat klager, en zijn collega’s, ongeschikt zijn voor hun functie en ook voor enige andere ambtelijke functie. Gelet hierop en op de aard en de ernst van het plichtsverzuim is het opleggen van de disciplinaire sanctie van onvoorwaardelijk strafontslag passend en geboden. De gevolgen daarvan voor klager zijn groot, maar niet onevenredig afgezet tegen de aard en ernst van het plichtsverzuim. Het gerecht is voorts van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat onmiddellijke tenuitvoerlegging van het strafontslag door het dienstbelang wordt gevorderd. 10. Tijdverloop 10.1 Het gerecht stelt vast dat het disciplinaire onderzoek lang heeft geduurd. Nadat klager op 23 oktober 2020 de toegang was ontzegd en hem op 14 januari 2021 de maatregel van schorsing was opgelegd heeft het tot 11 januari 2023 geduurd voordat hij is opgeroepen voor een verantwoordingsgesprek. Tijdens dat gesprek is hij geconfronteerd met de onderzoeksbevindingen en wist hij dat het voornemen was om hem een disciplinaire maatregel op te leggen. Het aan dat gesprek voorafgaande onderzoek heeft dus ongeveer twee jaar geduurd. Het strafrechtelijk onderzoek is daar mede debet aan. Na het verantwoordingsgesprek op 20 januari 2023 heeft (nader) onderzoek plaatsgevonden, waarna het bestreden besluit op 1 februari 2024 is genomen. 10.2 In de rechtspraak wordt als uitgangspunt gehanteerd dat het bevoegd gezag in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel handelt indien het meer dan een jaar nadat het vaststelt dat een ambtenaar zich aan plichtsverzuim schuldig heeft gemaakt alsnog een disciplinaire straf oplegt terwijl de ambtenaar redelijkerwijs niet meer hoefde te verwachten dat een straf zou worden opgelegd. Het gerecht is van oordeel dat in dit geval zich niet voordoet de situatie dat klager redelijkerwijs niet meer hoefde te verwachten dat een disciplinaire straf zou worden opgelegd. Daarbij is van belang dat klager wist dat na de verantwoording in januari 2023 er aanvullend (disciplinair) onderzoek plaatsvond. Klager moest er dus redelijkerwijs rekening mee houden dat hem alsnog een disciplinaire straf zou worden opgelegd. De conclusie is daarom dat het onderzoek lang heeft geduurd, maar niet dermate lang dat dit in de weg stond aan gebruik van de bevoegdheid van het bevoegd gezag om klager op grond van artikel 83, eerste lid, aanhef en onder i, van de Lma de maatregel van disciplinair strafontslag op te leggen. 11. Conclusie 11.1 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep van klager ongegrond is. Het strafontslag blijft in stand. Het gerecht komt daarom niet toe aan bespreking van de in het landsbesluit opgenomen subsidiaire ontslaggrond. BESLISSING De rechter in dit gerecht: - verklaart het bezwaar ongegrond; Deze uitspraak is gegeven door mr. B.J. van Ettekoven, ambtenarenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 september 2024, in tegenwoordigheid van de griffier. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen hoger beroep instellen bij de Raad van beroep in ambtenarenzaken. Daarbij dient de volgende termijn in acht te worden genomen: Als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest: binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak; In de andere gevallen: binnen dertig dagen na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend bij: De griffie van de Raad van Beroep in ambtenarenzaken J.G. Emanstraat 51 Oranjestad Aruba U wordt verzocht bij het indienen van het hogerberoepschrift het volgende in acht te nemen: 1. Leg bij het hogerberoepschrift een afschrift over van deze uitspraak; 2. Onderteken het hogerberoepschrift en vermeld het volgende: a. de naam en het adres van de indiener of de gemachtigde, b. de datum van ondertekening, c. waartegen u in hoger beroep komt, d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep). Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd. Bijlage: het wettelijk kader De Landsverordening materieel ambtenarenrecht Ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) is de ambtenaar gehouden de plichten uit zijn ambt voortvloeiende nauwgezet en ijverig te vervullen en zich te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt. Ingevolge artikel 48, eerste lid, van de Lma kan aan de ambtenaar door of namens de betrokken minister de toegang tot de dienstlokalen, dienstgebouwen of het werk, dan wel het verblijf aldaar, worden ontzegd. Ingevolge artikel 49, eerste lid, van de Lma is de ambtenaar verplicht de gehele voor hem voorgeschreven werktijd aan de zaken van de overheid te wijden. Het is hem verboden gedurende deze werktijd zich zonder geldige reden te verwijderen van de plaats waar de werkzaamheid moet worden verricht. Ingevolge artikel 55, eerste lid, van de Lma is de ambtenaar verplicht zich te gedragen naar hetgeen voor hem is bepaald ten aanzien van het aanvaarden van nevenbetrekkingen of het verrichten van nevenwerkzaamheden. Ingevolge artikel 56, eerste lid, van de Lma is de ambtenaar verboden werken, leveringen of dienstverrichtingen welke direct dan wel indirect geheel of gedeeltelijk ten laste van de overheid komen, aan te nemen, zich daarvoor borg te stellen of daaraan, hetzij rechtstreeks, hetzij zijdelings deel te hebben. Ingevolge artikel 59, eerste lid, van de Lma is het de ambtenaar verboden een gift of een belofte daartoe van een derde aan te nemen, waarvan hij weet of redelijkerwijze moet vermoeden, dat deze gedaan wordt teneinde hem te bewegen in zijn bediening iets te doen of na te laten. Ingevolge artikel 60, eerste lid, van de Lma wordt onder gift mede verstaan de kwijtschelding van een verplichting alsmede het nakomen van een overeenkomst, waardoor de ambtenaar klaarblijkelijk bevoordeeld wordt. Ingevolge artikel 61 is de ambtenaar verplicht terstond aan de betrokken minister mededeling te doen, indien door een derde pogingen zijn aangewend om hem door een gift of belofte te bewegen in zijn bediening iets te doen of na te laten. Ingevolge artikel 68, eerste lid, van de Lma is de ambtenaar die als zodanig en zonder ter zake rekenplichtig te zijn door onrechtmatige handelingen of door het nalaten van de zorg waartoe hij gehouden is, middellijk of onmiddellijk de overheid schade toebrengt, verplicht die schade te vergoeden. Ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Lma kan de ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege door het bevoegde gezag disciplinair worden gestraft. Ingevolge het tweede lid omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen. Ingevolge artikel 83, eerste lid, aanhef en onder i, van de Lma kan ontslag als disciplinaire straf worden opgelegd. Ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Lma wordt de straf, behalve die van schriftelijke berisping, niet ten uitvoer gelegd, zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij onmiddellijke tenuitvoerlegging naar het oordeel van de tot straffen bevoegden door het dienstbelang wordt gevorderd. Ingevolge artikel 87 kan de ambtenaar door het bevoegde gezag worden geschorst in zijn ambt: a. wanneer er een strafrechtelijke vervolging ter zake van misdrijf tegen hem wordt ingesteld; b. wanneer hem door het bevoegde gezag het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk ontslag is te kennen gegeven of hem van de oplegging van deze straf mededeling is gedaan; c. in andere gevallen, waarin schorsing naar het oordeel van het daartoe bevoegde gezag wordt gevorderd door het belang van de dienst. Ingevolge artikel 98, eerste lid, aanhef en onder f van de Lma kan de ambtenaar, buiten de gevallen, hiervoren of bij andere wettelijke regelingen bepaald, slechts worden ontslagen op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. De Comptabiliteitsverordening Artikel 22, eerste lid: Tenzij bij of krachtens landsverordening anders is bepaald, worden privaatrechtelijke rechtshandelingen namens het Land verricht door de daarbij betrokken minister of, krachtens algemene of bijzondere volmacht, namens deze. Artikel 24 1. De verkoop van een aan het Land toebehorende roerende zaak geschiedt door middel van een openbare verkoping na een beslissing daartoe van de betrokken minister. 2. De verkoop van een roerende zaak is slechts toegestaan, indien deze niet meer nodig is voor de overheidsdienst en met inachtneming van de door de minister van Financiën ter zake te stellen voorschriften. 3. In afwijking van het eerste lid kan bij beschikking van de betrokken minister worden bepaald, dat een roerende zaak met een geraamde verkoopwaarde van Afl. 1000,- of minder niet in het openbaar behoeft te worden verkocht. 4. De minister van Financiën kan nadere regels stellen met betrekking tot openbare verkopingen. Artikel 28 1. Een schenking aan derden van een aan het Land toebehorende zaak met een waarde van Afl. 10.000,- of meer wordt verricht met machtiging, verkregen bij landsverordening. 2. Een schenking aan derden van een aan het Land toebehorende zaak met een waarde van minder dan Afl. 10.000,- maar meer dan Afl. 1000,- wordt verricht met machtiging, verkregen bij landsbesluit. 3. De voordracht voor een landsbesluit als bedoeld in het tweede lid, wordt niet gedaan dan nadat, de Raad van Advies gehoord, het ontwerp van het landsbesluit en een toelichting met betrekking tot de achtergronden van de desbetreffende aangelegenheid, voorzien van het advies van de Raad van Advies dienaangaande aan de Staten is voorgelegd en de Staten gedurende twee weken de gelegenheid is geboden hun wensen en bezwaren ter kennis te brengen van de minister van Financiën en de betrokken minister. 4. Een schenking aan derden van een aan het Land toebehorende zaak met een waarde van Afl. 1000,- of minder wordt verricht bij een met redenen omklede beschikking van de betrokken minister in overeenstemming met de minister van Financiën. Ingeval de minister van Financiën de betrokken minister is bij een schenking als bedoeld in de eerste volzin, geschiedt deze schenking bij een met redenen omklede beschikking van de minister van Financiën, in overeenstemming met de minister-president. 5. Een landsbesluit als bedoeld in het tweede lid, en een ministeriële beschikking als bedoeld in het vierde lid, worden in de Landscourant van Aruba bekend gemaakt. 6. De overdracht van een lichamelijke of onlichamelijke zaak om baat wordt, indien de waarde van de tegenprestatie niet in een redelijke verhouding staat tot de op dat moment in het economische verkeer geldende waarde van die zaak, als schenking aangemerkt, voor zoveel als de waarde van de zaak de waarde van de tegenprestatie te boven gaat. Als schenking wordt aangemerkt iedere rechtshandeling, niet voortvloeiende uit de wet of een verbintenis, en niet zijnde de toekenning van een subsidie (…) waarbij om niet aan het Land toekomende lichamelijke of onlichamelijke zaak aan derden wordt overgedragen. Een openbare verkoping betreft volgens genoemde verordening het na een voorafgaande algemene bekendmaking in het verkoping openbaar verkopen van een roerende zaak van het Land aan de meestbiedende.