← Nederland

ECLI:NL:OGAACMB:2025:94

GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA zittingsplaats Bonaire Uitspraak in de zaak van: [Klager], wonende te Bonaire, procederend in persoon, tegen de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, verweerder, hierna: de minister, gemachtigden: mr. T. Breugom, advocaat en mr. F.H.A. Alberda. Inleiding 1.1 In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het bezwaar van klaagster tegen het besluit van 17 september 2024 (het bestreden besluit), dat zij op 25 oktober 2024 heeft ontvangen. Bij het bestreden besluit is aan klaagster meegedeeld dat met ingang van 2 augustus 2025 een loonkorting van 10% zal worden toegepast op haar salaris. 1.2 Klaagster heeft op 19 november 2024 bezwaar gemaakt het bestreden besluit. 1.3 De minister heeft een contramemorie ingediend. 1.4 Zowel klaagster als de minister hebben nadere stukken ingediend. 1.5 Het bezwaar is ter zitting van het Gerecht van 11 februari 2025 behandeld. Klaagster is in persoon verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Overwegingen

  1. Het Gerecht beoordeelt in deze uitspraak de op het salaris van klaagster toegepaste loonkorting. Het Gerecht komt tot het oordeel dat de minister op 2 augustus 2024 niet had mogen concluderen dat klaagster op dat moment reeds 24 maanden arbeidsongeschikt was. Het Gerecht legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel komt. Wat is relevant om te weten in deze zaak? 3.1 Klaagster is sinds 1 oktober 2019 aangesteld als ambtenaar en is werkzaam bij de SSO CN. Zij bekleedt thans de functie van Senior Controller. 3.2 Klaagster is op 2 juli 2022 arbeidsongeschikt verklaard. 3.3 Klaagster is sinds haar arbeidsongeschiktheidsverklaring regelmatig op medisch consult geweest bij verschillende artsen van Medwork. 3.4 Vanaf 22 november 2023 heeft klaagster per e-mail gecorrespondeerd met het diensthoofd van de SSO CN over het opnieuw activeren van haar toegangsrechten tot het computersysteem, zodat zij kon starten met het verrichten van werkzaamheden vanuit huis. 3.5 Medwork heeft in opdracht van de minister op 3 april en 13 mei 2024 een inzetbaarheidsonderzoek uitgevoerd met betrekking tot klaagster. Het verslag van dit onderzoek is op 21 juni 2024 bekendgemaakt. 3.6 Klaagster heeft op 17 juni 2024 een gesprek gehad met het diensthoofd van de SSO CN over het rapport en over welke werkzaamheden geschikt zijn voor haar. Tijdens dit gesprek zijn afspraken gemaakt over een opdracht waarmee klaagster aan de slag kan. Op 5 juli 2024 zijn haar toegangsrechten weer volledig geactiveerd. Zij is op 8 juli 2024 begonnen met het uitvoeren van de afgesproken taken. 3.7 Vervolgens heeft de minister bij het bestreden besluit een loonkorting van 10 procent toegepast op het salaris van klaagster. Dit omdat zij vrijgesteld is van dienst wegens ziekte en op 2 augustus 2024 gedurende een periode van 24 maanden ziek was. Is het Gerecht bevoegd kennis te nemen van het bezwaar?
  2. De minister betoogt allereerst dat het Gerecht niet bevoegd is kennis te nemen van het bewaar omdat het bestreden besluit geen beschikking is zoals bedoel in artikel 35 van de War BES
  3. Het bestreden besluit is volgens de minister slechts een mededeling van de gevolgen voor het loon van klaagster die rechtsreeks uit de wet voortvloeien. 5.1 Voor zover hier van belang bepaalt het eerste lid, van artikel 35, van de War BES 1951, dat een bezwaarschrift kan worden ingediend bij de ambtenarenrechter tegen beschikkingen, handelingen of weigeringen om te beschikken of te handelen ten aanzien van een ambtenaar als zodanig. Naar vaste rechtspraak van de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 9 december 2021 (ECLI:NL:ORBAACM:2021:78), dient onder een beschikking te worden verstaan een schriftelijk besluit van een bestuursorgaan, gericht op rechtsgevolg. 5.2 Het bestreden besluit is naar oordeel van het Gerecht wel een beschikking zoals bedoeld in voornoemd artikel van de War BES
  4. Dit omdat het bestreden besluit direct rechtsgevolgen heeft voor wat betreft de rechtspositie van klaagster. Op haar salaris wordt namelijk een korting toegepast. Dat de grondslag voor het toepassen van de loonkorting artikel 31 van het Besluit vakantie en vrijstelling van dienst ambtenaren BES is, neemt niet weg dat het een beslissing van de minister betreft. Het Gerecht is gelet hierop bevoegd kennis te nemen van het bezwaar. Waarom is klaagster het niet eens met het bestreden besluit?
  5. Klaagster stelt dat de loonkorting ten onrechte op haar is toegepast. Ten eerste is zij nooit formeel vrijgesteld van dienst. Haar vakantieverlof voor de jaren 2023 en 2024 is zoals gebruikelijk goedgekeurd en afgeschreven. Daarnaast heeft zij al op 22 november 2023 aangegeven dat zij wilde starten met re-integratie. De bedrijfsarts heeft dit ook bevestigd en vastgelegd na het consult van 29 november 2023 en vervolgens een offerte voor een inzetbaarheidsonderzoek naar haar werkgever gestuurd. Ondanks meerdere verzoeken van klaagster om haar toegang tot het computersysteem te herstellen, zodat zij vanuit huis kon beginnen met haar werkzaamheden, heeft dit niet eerder dan in juli 2024 plaatsgevonden. Het inzetbaarheidsonderzoek vond pas in april en mei 2024 plaats. Haar toegangsrechten zijn pas in juli 2024 hersteld. Volgens klaagster heeft de minister hierdoor onnodige vertraging veroorzaakt in haar re-integratieproces. Als de minister eerder had gehandeld, had zij eerder kunnen beginnen met re-integreren en was zij waarschijnlijk ook sneller weer volledig arbeidsgeschikt geweest. In dat geval was de loonkorting mogelijk niet van toepassing geweest. Tot slot merkt klaagster op dat de minister de loonkorting ten onrechte met terugwerkende kracht heeft toegepast. Welke wettelijke bepalingen zijn van toepassing? 7.1 Op grond van het eerste lid, van artikel 31 van het besluit vakantie en vrijstelling van dienst ambtenaren BES (het besluit) heeft de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn dienst uit te oefenen, tot herstel van zijn gezondheid aanspraak op vrijstelling van dienst wegens ziekte. 7.2 Op grond van het tweede lid is, voor zover hier van belang, de duur van de vrijstelling van dienst wegens ziekte, inclusief verlenging, ten hoogste vier jaren voor een ambtenaar in vaste dienst. 7.3 Het vierde lid, aanhef en onder I bepaalt dat gedurende een vrijstelling van dienst wegens ziekte de ambtenaar in vaste dienst aanspraak heeft op een inkomen naar reden van: a. zijn vol inkomen gedurende de eerste vierentwintig maanden; b. negentig ten honderd van zijn vol inkomen gedurende de daaropvolgende twaalf maanden; c. tachtig ten honderd van zijn vol inkomen gedurende de resterende maanden. 7.4 Op grond van het eerste lid van artikel 32 van het besluit wordt Vrijstelling van dienst wegens ziekte wordt door het bevoegd gezag verleend. Deze vrijstelling van dienst kan, onverminderd het bepaalde in artikel 34 (https://wetten.overheid.nl/BWBR0028606/2024-10-16), met schriftelijke toestemming van het bevoegde gezag geheel of gedeeltelijk in het buitenland worden doorgebracht. 7.5 Op grond van het vierde lid van artikel 33 wordt vrijstelling van dienst wegens ziekte van meer dan dertig dagen of verlenging daarvan waardoor deze vrijstelling van dienst van langere duur wordt dan dertig dagen, door het bevoegde gezag slechts verleend indien uit een schriftelijke verklaring, afgegeven door één of meerdere door de overheid aangewezen geneeskundigen, blijkt dat de betrokken ambtenaar wegens ziekte verhinderd is zijn dienst uit te oefenen. In de door deze geneeskundige afgegeven verklaring wordt, met inachtneming van het gestelde in artikel 31, derde lid (https://wetten.overheid.nl/BWBR0028606/2024-10-16), het tijdvak aangegeven waarin de ambtenaar vermoedelijk zijn dienst niet zal kunnen uitoefenen. Indien verblijf in het buitenland noodzakelijk blijkt, wordt tevens hiervan, met vermelding van de plaats van verblijf en de wijze waarop de reis moet worden volbracht, mededeling gedaan. 7.6 Op grond van het eerste lid van artikel 36 mag de ambtenaar aan wie vrijstelling van dienst wegens ziekte is verleend van drie maanden of meer, de uitoefening van zijn dienst niet hervatten, dan nadat uit een verklaring van de geneeskundige(n), bedoeld in artikel 33, vierde lid, blijkt, dat de betrokken ambtenaar is onderzocht en in staat is bevonden tot hervatting van zijn dienstuitoefening.
  6. Toegepast op deze zaak komt het Gerecht tot de volgende beoordeling. 8.1 Tussen partijen is niet in geschil dat klaagster in ieder geval sinds 2 augustus 2022 arbeidsongeschikt is. Tot op het moment van de zitting is er geen verklaring van een arts van Medwork overgelegd waaruit blijkt dat klaagster inmiddels arbeidsgeschikt is en haar werkzaamheden volledig kan hervatten. Wel is zij op 8 juli 2024 gestart met haar re-integratie en het geleidelijk opbouwen van haar werkzaamheden. Klaagster heeft ter zitting verklaard dat zij in januari 2025 van Medwork heeft vernomen dat zij naar verwachting binnen drie maanden volledig hersteld zal zijn. Dit zal bij de volgende consulten opnieuw worden besproken en beoordeeld. 8.2 Uit het in overwegingen 5.1 tot en met 5.6 weergegeven wettelijke kader, volgt dat het aan één of meer door het bevoegd gezag aangewezen artsen is, in dit geval de artsen van Medwork, om te beoordelen of bij een ambtenaar sprake is van verhindering tot het verrichten van dienst wegens ziekte. Gezien het eerste lid van artikel 31 van het besluit moet daarbij worden vastgesteld dat de ambtenaar wegens ziekte ongeschikt is voor het uitvoeren van zijn functie. 8.3 Zoals de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken in de uitspraak van 6 december 2023 heeft overwogen (ECLI:NL:ORBAACM:2023:73), is het aan de (bedrijfs-)arts om te beoordelen of de ambtenaar wegens ziekte ongeschikt is om zijn functie uit te oefenen. Als de (bedrijfs-)arts oordeelt dat er sprake is van ongeschiktheid, moet hij ook vaststellen of die ongeschiktheid (gedeeltelijk) kan worden weggenomen door aanpassingen. Daarnaast moet hij aangeven wat die aanpassingen betekenen voor zijn oordeel over de ongeschiktheid van de ambtenaar. Tevens moet de bedrijfsarts hierover communiceren met zowel de werknemer als de ambtenaar. 8.4 Uit het rapport van het inzetbaarheidsonderzoek en het door verweerder overgelegde overzicht van Medwork (de “sick leave summary”) blijkt niet dat een arts van Medwork aan klaagster en de minister heeft gecommuniceerd in hoeverre haar ongeschiktheid kan worden weggenomen door de voorgestelde aanpassingen in het kader van het re-integratieplan. Dit plan is overigens al op 8 juli 2024 van start gegaan. Evenmin hebben de artsen van Medwork toegelicht wat deze aanpassingen betekenen voor hun oordeel over de arbeidsongeschiktheid van klaagster. Zonder dergelijke communicatie, kon de minister naar oordeel van het Gerecht niet concluderen dat klaagster op 2 augustus 2024 al vierentwintig maanden arbeidsongeschikt was. De loonkorting had op dat moment dan ook niet mogen worden toegepast. Het bestreden besluit kan dan ook geen stand houden. Het bezwaar is gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd. Conclusie en gevolgen
  7. De slotsom is dat het bezwaar gegrond is en dat het bestreden besluit zal worden vernietigd. Als gevolg hiervan ontbreekt de grondslag voor de op het salaris van klaagster toegepaste loonkorting. Dit betekent dat het bedrag waarmee het salaris van klaagster sinds het bestreden besluit is verminderd, aan haar moet worden terugbetaald.
  8. Het Gerecht ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling nu klaagster in persoon procedeert. Beslissing Het Gerecht in Ambtenarenzaken: - verklaarthet bezwaar gegrond; - vernietigt het bestreden besluit. Aldus gedaan door mr. N.M. Martinez, rechter in ambtenarenzaken, en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2025, te Curaçao en in tegenwoordigheid van P.N.F. Pereira do Tanque, griffier. Informatie over hoger beroep Tegen de beslissing op het verzoek om een beslissing bij voorraad staat geen voorziening open. Tegen de beslissing op het bezwaar kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz) Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen 30 dagen na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval: - het hoger beroepschrift indienen in tweevoud; - een afschrift van deze uitspraak bijvoegen; - vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden). Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend. Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.