Beschikking van 18 augustus 2015 Behorend bij E.J. no. 2715 van 2014 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA BESCHIKKING in de zaak van: X, wonende in Aruba, verzoekster, hierna ook te noemen: X, gemachtigden: de advocaten mrs. M.P. Jansen en D.G. Illes, tegen: Y, wonende in Aruba, verweerster, hierna ook te noemen: Y, gemachtigde: de advocaat mr. J.A. Saade. 1DE PROCEDURE 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: -het verzoekschrift, met producties; -het verweerschrift, met producties; -de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van de zaak ter terechtzitting van 24 februari 2015. 1.2 X is toen ter zitting verschenen samen met mr. Illes voornoemd. Y is eveneens verschenen samen met haar gemachtigde. Partijen hebben over en weer het woord gevoerd - X mede aan de hand van een overgelegde pleitnota - en hebben gereageerd of kunnen reageren op elkaars stellingen. 1.3 Beschikking is nader bepaald op heden. 2DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN 2.1 Naast verlof tot kosteloos procederen verzoekt X dat het Gerecht bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking Y veroordeelt: a. om aan X te betalen Afl. 1.636,70 wegens kennelijk onregelmatig ontslag, te vermeerderen met wettelijke rente gerekend vanaf 11 juni 2014; b. om aan X te betalen Afl. 1.133,10 aan cessantia, te vermeerderen met wettelijke rente gerekend vanaf 11 juni 2014; c. om aan X te betalen Afl. 15.564,30 aan achterstallig loon, te vermeerderen met wettelijke rente gerekend vanaf 11 juni 2014; d. in de proceskosten. 2.2 Y voert verweer en concludeert tot afwijzing van het door X verzochte, kosten rechtens. 2.3 Voor zover van belang voor de beslissing worden de stellingen van partijen hierna besproken. 3DE BEOORDELING 3.1 Uit het daartoe overgelegde bevoegdelijk afgegeven bewijs van onvermogen blijkt dat X niet in staat is om de kosten van deze procedure te dragen. Aan haar zal daarom bij nog te wijzen eindbeschikking verlof tot kosteloos procederen worden verleend. 3.2 Vast staat tussen partijen dat X krachtens een daartoe tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst op 27 juli 2011 als dienstbode of huishoudster voor onbepaalde tijd in loondienst is getreden (in het huishouden) van Y, tegen een laatstelijk genoten bruto maandloon van Afl. 1.100,--. X stelt tegen die achtergrond als grondslagen voor haar vorderingen dat Y haar op 2 januari 2014 om voor X onbekende redenen ten onrechte op staande voet heeft ontslagen, en voorts stelt X dat Y haar gedurende haar dienstverband niet het voor Aruba geldende minimum loon ad Afl. 1.636,70 maandelijks heeft uitbetaald, terwijl Y daartoe volgens X wel was gehouden omdat X geen bij Y inwonende dienstbode was. 3.3 Y heeft de stelling van X ter zake van ontslag op staande voet gemotiveerd bestreden, waardoor die vooralsnog niet vast staat. X, die zich beroept op rechtsgevolgen van het door haar gestelde, zal ter zake van het door haar onder a. en b. gevorderde volgens de in artikel 129 Rv neergelegde hoofdregel van het bewijsrecht moeten bewijzen dat zij op 2 januari 2014 op staande voet is ontslagen door Y. Dat bewijs kan worden geleverd met alle middelen rechtens, te beginnen met het doen horen van getuige(n). De zaak zal daartoe worden verwezen naar de in het dictum vermelde terechtzitting. X dient uiterlijk drie dagen voor die zitting de personalia van de door haar voor te brengen getuige(n) schriftelijk kenbaar te maken aan het Gerecht en aan Y. 3.4 Wat betreft de vordering tot betaling van achterstallig loon wordt het volgende overwogen. Redelijke uitleg van het tweede lid van artikel 9 van de Landsverordening minimumlonen (hierna: de Landsverordening) in het licht van de daarbij door de wetgever gegeven toelichting brengt mee dat het in dat artikel vermelde minimumloon (van thans ad Afl. 763,55 bruto maandelijks) voor het in dat artikel bedoelde huishoudelijk personeel (zoals X) alleen geldt indien sprake is van huishoudelijk personeel dat kost en inwoning geniet van de werkgever, welk genot heeft te gelden als betaling van (een deel van het) loon in natura. De andersluidende door Y gegeven uitleg van bedoeld artikel - dat het minimum maandloon van ook niet kost en inwoning genietend huishoudelijk personeel ingevolge het in het tweede lid van artikel 9 van de Landsverordening Afl. 763,55 bedraagt - zou naar het oordeel van het Gerecht ontoelaatbare discriminatie opleveren tussen niet kost en inwoning genietend huishoudelijk personeel ten opzichte van de rest van de beroepsbevolking die gerechtigd is tot het in het eerste lid van voormeld artikel 9 vermelde minimum loon (van thans Afl. 1.636,70 bruto maandelijks), hetgeen niet de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest. Dat laatste klemt temeer omdat een dergelijk ontoelaatbaar onderscheid naar het oordeel van het Gerecht niet verenigbaar is met artikel I van de Staatsregeling van Aruba, wat ingevolge artikel I.22 van diezelfde Staatsregeling zou betekenen dat het tweede lid van artikel 9 van de Landsverordening minimumlonen geen toepassing kan vinden, oftewel onverbindend zou zijn. Bij dit alles heeft te gelden dat is gesteld noch gebleken dat de arbeidsproductiviteit van niet kost en inwoning genietend huishoudelijk personeel betaling van het in het eerste lid van artikel 9 van de Landsverordening vermelde minimumloon niet rechtvaardigt, en dat het van algemene bekendheid is dat de door dat personeel uit te voeren werkzaamheden bepaaldelijk niet licht zijn. 3.5 Tegen de hiervoor geschetste achtergrond is niet in geschil tussen partijen dat voor X telkens een vergunning is aangevraagd en verkregen om voor Y werkzaam te zijn als inwonende dienstbode. Y heeft in dat verband niet of onvoldoende bestreden gesteld dat
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.