Uitspraak van 25 augustus 2015 BBZ nr. 67161 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA Enkelvoudige Belastingkamer UITSPRAAK op het beroep in de zin van paragraaf 2 van de Landsverordening beroep in belastingzaken van: X LIMITED gevestigd te Y, belanghebbende, gemachtigde: mr. Z, tegen DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN IN ARUBA, de Inspecteur. 1PROCESVERLOOP 1.1 Aan belanghebbende is met dagtekening 28 december 2012 een aanslag in de winstbelasting voor het jaar 2007 opgelegd naar een belastbare winst van Afl. 100.000. 1.2 Belanghebbende is op 22 januari 2013 tijdig in bezwaar gekomen tegen de aanslag. 1.3 Bij schrijven van 3 februari 2014 is belanghebbende in beroep gekomen tegen het niet tijdig doen van uitspraak op het bezwaarschrift van 22 januari 2013. 1.4 Bij uitspraak van 31 maart 2014, door de Inspecteur aangeduid als ‘herziene aanslag’, heeft de Inspecteur de aanslag verminderd en de belastbare winst vastgesteld op het aangegeven bedrag van Afl. 33.172. 1.5 Op 5 maart 2015 heeft de Inspecteur een verweerschrift ingediend. 1.6 Ter zitting van 27 maart 2015 te Oranjestad zijn namens belanghebbende verschenen de hiervoor vermelde gemachtigde, bijgestaan door [W], alsmede, namens de Inspecteur, mr. [A]. 1.7 Hierna is uitspraak bepaald op heden. 2FEITEN Het volgende is op grond van de schriftelijke stukken en hetgeen ter zitting is gezegd, komen vast te staan. Het is tussen partijen niet in geschil of door één van de partijen gesteld en door de andere partij niet of onvoldoende tegengesproken. 2.1 Belanghebbende is gevestigd in Anguilla en is maat in de maatschap [XYZ] Aruba. Uit dien hoofde heeft zij een vaste inrichting in Aruba en is zij als buitenlands belastingplichtige in Aruba aan de winstbelasting onderworpen. 2.2 Belanghebbende heeft haar aangifte winstbelasting voor het jaar 2007 op 16 januari 2008 ingediend en daarbij een belastbare winst van Afl. 33.172 aangegeven. 2.3 Bij de aanslagregeling is van de aangifte afgeweken; de aanslag is met dagtekening 28 december 2012 vastgesteld naar een belastbare winst van Afl. 100.000. Op het biljet noch elders is aan belanghebbende kenbaar gemaakt waarom van de aangifte is afgeweken. Belanghebbende heeft op 22 januari 2013 bezwaar tegen de aanslag gemaakt. 2.4 Belanghebbende is vanaf 2008 een gebroken boekjaar gaan hanteren dat loopt van 1 juli tot en met 30 juni. Het boekjaar 2008/2009 is daarom een lang boekjaar van anderhalf jaar (1 januari 2008 tot en met 30 juni 2009). Vanwege het langere boekjaar was ook de pensioendotatie hoger. De aanslag winstbelasting voor het jaar 2008/2009 is met dagtekening 30 december 2013 vastgesteld; daarbij is eveneens afgeweken van de door belanghebbende ingediende aangifte. In een brief van de Inspecteur van 14 december 2013 wordt in dit verband verwezen naar de artikelen 10, 13 en/of 15 van de Algemene landsverordening Belastingen (ALB). Bij de vaststelling van de belastbare winst van belanghebbende voor het jaar 2008/2009 is de helft van de door belanghebbende in aanmerking genomen pensioendotatie geschrapt. Terzake heeft door of namens de Inspecteur geen onderzoek plaatsgevonden. Belanghebbende is op 3 januari 2014 tegen de aanslag voor het jaar 2008 in bezwaar gekomen en heeft daarbij een pensioenberekening per 30 juni 2009 overgelegd. 2.5 Op het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag voor het jaar 2007 was op 22 januari 2014 nog geen uitspraak gedaan. Belanghebbende is daarom in beroep gekomen bij de Raad van Beroep voor Belastingzaken (thans: het Gerecht in Eerste Aanleg). Op 31 maart 2014 heeft de Inspecteur alsnog uitspraak gedaan en daarbij alsnog de aanslag voor het jaar 2007 vastgesteld overeenkomstig de door belanghebbende ingediende aangifte. 3GESCHIL Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de aanslag nietig is omdat ongemotiveerd van de aangifte is afgeweken, dan wel of de aanslag vernietigd dient te worden omdat deze naar een willekeurig bedrag, ‘tot behoud van rechten’ is opgelegd. 4STANDPUNTEN VAN PARTIJEN 4.1 Belanghebbende stelt dat het standaardpraktijk van de Belastingdienst is om belastingaanslagen op te leggen op een van de laatste dagen van de 5-jaars heffings-/aanslagtermijn en dat daarbij steeds ongemotiveerd van de aangifte wordt afgeweken, ‘tot behoud van rechten’. Zij meent dat artikel 10, eerste lid, ALB een dergelijke handelwijze niet toelaat omdat deze handelwijze geen ander doel heeft dan het ‘oprekken’ van de aanslagtermijn. Tegen aanslagen als de onderhavige worden door de betrokken belastingplichtige bezwaar-schriften ingediend; die bezwaarschriften worden evenwel in de meeste gevallen niet afgehandeld. De belastingplichtige is dan genoodzaakt beroep bij de rechter in te stellen om zijn zaak afgewikkeld te krijgen. 4.2 De Inspecteur stelt dat artikel 10, eerste lid, ALB een handelwijze van de Inspecteur zoals in het onderhavige geval niet verbiedt. Belanghebbende kan tegen de aanslag in bezwaar en beroep komen. Een aanslag ‘tot behoud van rechten’ duidt slechts erop dat de aanslagtermijn bijna is verlopen en dat de Inspecteur “geen aanvullende informatie meer” kan opvragen. Een dergelijke werkwijze is niet bij de ALB verboden althans er staat geen sanctie op. 4.3 Partijen doen hun standpunten overigens steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, alsmede op hetgeen zij ter zitting hebben bijgebracht. 5BEOORDELING VAN HET GESCHIL 5.1 Artikel 10 ALB luidt, voor zover hier van belang, als volgt: 1. De Inspecteur kan bij het vaststellen van de aanslag van de aangifte gemotiveerd afwijken (…). 2. Indien bij het vaststellen van de aangifte van de aangifte wordt afgeweken, wordt aan de belastingplichtige mededeling gedaan van de toegepaste correctie. 3. Het niet naleven van het voorschrift van het tweede lid leidt niet tot nietigheid van de aanslag. 4. (…) 5. Indien overeenkomstig deze landsverordening of een belastingverordening aangifte is gedaan, vervalt de bevoegdheid tot het vaststellen van de aanslag door verloop van vijf jaar na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. 5.2 In de Memorie van Toelichting bij de ALB is ter zake van artikel 10 ALB onder meer het volgende opgenomen: “In normale gevallen zal de Inspecteur de ingediende aangifte als uitgangspunt nemen voor de op te leggen aanslag. (…) Indien (…) een aangifte is ingediend, dan zal de Inspecteur deze beoordelen, en, zo nodig, correcties op de door de belastingplichtige berekende heffingsgrondslag aanbrengen. Wijkt hij van de aangifte af, dan zal hij dat gemotiveerd moeten doen. Van dit afwijken zal hij de belastingplichtige en/of zijn adviseur op de hoogte moeten stellen. Indien hij dit nalaat, leidt dit echter niet tot nietigheid van de aanslag. Wel zou het gevolg kunnen zijn dat de belastingplichtige hierdoor schade [lijdt]. De regering kan zich voorstellen dat deze schade, indien sprake is van andere schade dan belastingschade, verhaald kan worden middels het aanhangig maken van een civiele procedure. De regering verwacht, om dergelijke procedures te voorkomen, dat de Inspecteur het nodige zal doen ten einde aan deze inspanningsverplichting te voldoen. De regering kan zich daarnaast voorstellen dat het meermalen niet nakomen van deze verplichting tot disciplinaire maatregelen zal kunnen leiden. Het vierde en vijfde lid zijn opgenomen naar aanleiding van de uitspraken van de Raad van Beroep voor belastingzaken, nummers 07-06-91/5 en 13-05-92/59 en 60. Deze leden beogen in de eerste plaats de belastingplichtigen de waarborg te bieden dat zij binnen een redelijke termijn hun aanslag ontvangen. Aan de Inspecteur leggen zij de verplichting op om binnen de aangegeven termijnen de aanslag op te leggen. Het past in het kader van het bereiken van een behoorlijke naleving van belastingwetgeving door de belastingplichtigen om de termijn voor het opleggen van de aanslag te formaliseren en te stellen op vijf jaar, indien de belastingplichtige aangifte heeft gedaan (…). Als de belastingdienst niet binnen de uiterste termijn een aanslag oplegt, dan kan dat de belastingplichtige een voordeel opleveren, maar er zijn verschillende redenen voor deze uiterste termijn. Het is geen behoorlijk bestuur om de belastingplichtige onbeperkt in de tijd in onzekerheid te laten over een eventueel te betalen belastingaanslag. (…)” (MvT Landsverordening inzake de uitvoering van de belastingwetgeving (Algemene landsverordening belastingen), DW03-120) 5.3 Het Gerecht stelt voorop dat, nu de (materiële) belastingschuld rechtstreeks uit de wet voortvloeit, de aanslag slechts die schuld formaliseert en vastlegt, dat de aangifte een hulpmiddel is om tot de juiste aanslag te komen en dat de wet niet voorschrijft dat de belastingplichtige moet worden uitgenodigd tot het doen van aangifte, voordat een aanslag kan worden opgelegd. Het Gerecht overweegt voorts als volgt. 5.4 Naar blijkt uit de wettelijke context waarin artikel 10 ALB is geplaatst, alsook uit de (hiervoor aangehaalde passages van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.