Vonnis van 16 september 2015 Behorend bij A.R. 589 van 2014 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA VONNIS in de zaak van: DE STAAT DER NEDERLANDEN, Ministerie van onderwijs, cultuur en wetenschap, Dienst uitvoering onderwijs, zetelend te ’s-Gravenhage, EISERES, gemachtigde: advocaat mr. M.W.A. van der Gulik, tegen: A, wonend te Aruba, GEDAAGDE, gemachtigde de advocaat mr. lic. B.M. de Sousa. 1DE PROCEDURE Ingevolge het tussenvonnis van 27 augustus 2014 heeft op 11 november 2014 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Vervolgens zijn conclusies van repliek en dupliek genomen. Tenslotte werd de zaak verwezen naar de rol voor vonnis. 2DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN 2.1 Eiseres vordert veroordeling van gedaagde bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad tot betaling van € 13.991,55, waarin zijn begrepen incassokosten ad € 1.784,99 en rente tot en met 10 maart 2014) te vermeerderen met de wettelijke rente, vanaf 11 maart 2014, over € 11.899,93 met veroordeling van gedaagde in de proceskosten. De vordering is gegrond op opeisbare termijnen tot terugbetaling van de studieschuld, waarmee gedaagde achterstallig is. 2.2 Gedaagde heeft tijdens de comparitie van partijen de hoofdsom erkend. De aflossingstermijnen zijn volgens haar te hoog vastgesteld. Er is geen rekening gehouden met haar draagkracht. Zij heeft ook nog andere leningen af te lossen. Gedaagde maakt bezwaar tegen de hoogte van de incassokosten. 3DE BEOORDELING 3.1 Gedaagde heeft omvang van de hoofdvordering niet betwist en evenmin dat zij achterstallig is met betalen. Op gedaagdes verweer dat de aflossingstermijnen gelet op haar draagkracht te hoog zijn vastgesteld, heeft eiseres aangegeven dat de Wet studiefinanciering 2000 onderscheid maakt tussen regluiere aflossingstermijnen, waarvoor op grond van de wet rekening wordt gehouden met iemands draagkracht en achterstallige termijnen, waarvoor de wet niet voorschrijft dat rekening moet worden gehouden met draagkracht. Dit standpunt komt het gerecht juist voor. Artikel 6.9, tweede lid, van de wet bepaalt immers:
- De hoogte van de maandelijkse termijnen wordt op basis van het aantal maanden van de aflosfase onderscheidenlijk het nog resterende aantal maanden van de aflosfase tot gelijke bedragen vastgesteld bij de aanvang van: o a. het eerste jaar van de aflosfase, o b. het vierde jaar van de aflosfase, en o c. ieder vijfde jaar na het vierde jaar van de aflosfase. Artikel 6.10, vierde lid, bepaalt:
- Indien het bedrag van de draagkracht lager is dan het bedrag van de vastgestelde termijn, berekend op grond van artikel 6.9, betaalt de debiteur, in afwijking van dat artikel, het bedrag van zijn draagkracht. Artikel 6.8, derde lid, van de wet bepaalt:
- Indien de debiteur achterstallig is bij de betaling wordt met deze achterstallige schuld bij de duur van de aflosfase, bedoeld in artikel 6.7, bij de vaststelling van de maandelijkse termijn, bedoeld in artikel 6.9 en 6.15, alsmede bij het tenietgaan van de schuld, bedoeld in artikel 6.16, geen rekening gehouden. Uit deze bepalingen blijkt dat draagkrachtcorrectie slechts een rol speelt bij de bepaling van de reguliere termijn en niet bij de terugvordering van achterstallige bedragen. Achterstalligheid is zelfs niet van invloed op de draagkrachtcorrectie voor de vaststelling van reguliere aflossingstermijnen. Dat eiseres desondanks een betalingsregeling heeft aangeboden, beperkt haar derhalve niet bij de terugvordering van hetgeen achterstallig is. Het feit dat gedaagde financiële moeilijkheden heeft omdat zij nog meer leningen moet aflossen, is evenmin een factor die eiseres raakt. 3.2 De door eiseres gevorderde incassokosten zijn aannemelijk geworden met de door eiseres overgelegde producties. In de overgelegde aanmaningen wordt gedaagde ook gewaarschuwd voor incassokosten. De basis daarvoor rust in artikel 8.3 van de Wet op de studiefinanciering 2000, in samenhang met artikel 4.112 van de Algemene wet bestuursrecht. 3.3 Op basis van het voorgaande acht het gerecht de vordering gegrond. Deze zal worden toegewezen. Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure aan de zijde van eiseres. 4DE UITSPRAAK De rechter in dit gerecht, veroordeelt gedaagde tot betaling aan eiseres van € 13.991,55, te vermeerderen met de wettelijke rente, vanaf 11 maart 2014, over € 11.899,93; veroordeelt gedaagde in de kosten van de procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van eiseres worden begroot op Afl. 750,-- aan griffierecht, Afl. 220,-- aan explootkosten en Afl. 3.600,-- aan salaris van de gemachtigde; verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.H. Lemaire, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 16 september 2015 in aanwezigheid van de griffier.