Uitspraak van 12 januari 2015 L.A.R. nr. 1973 van 2014 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA UITSPRAAK op het beroep in de zin van de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van: A., wonende in Aruba, APPELLANTE, gemachtigde: de advocaat mr. D.C.A. Crouch, gericht tegen: DE MINISTER VAN INTEGRATIE, INFRASTRUCTUUR EN MILIEU, zetelende in Aruba, VERWEERDER, gemachtigde: mw. mr. V.M. Emerencia (DWJZ). Als belanghebbende wordt aangemerkt: B., vertegenwoordigd. 1PROCESVERLOOP Op 11 april 2014 heeft appellante (pro-forma) bezwaar gemaakt tegen de verlening van een bouwvergunning op 31 januari 2014 aan B. voor het bouwen van een appartementencomplex te …. Bij beslissing op bezwaar van 18 juli 2014 is het bezwaar van appellante, conform het advies van de Bezwaaradviescommissie LAR, ongegrond verklaard. Hiertegen heeft appellante op 22 augustus 2014 beroep ingesteld bij dit gerecht. De zaak is behandeld ter zitting van 17 november 2014, alwaar partijen zich hebben doen vertegenwoordigen door hun gemachtigden voornoemd. Namens verweerder is ook ter zitting verschenen mw. mr. Z. Van Poppel van de DOW. Namens de belanghebbende is ter zitting verschenen haar zoon. Uitspraak is bepaald op heden. 2OVERWEGINGEN 2.1 Het gerecht overweegt dat appellante tijdig beroep heeft ingesteld. Het beroep is dan ook ontvankelijk. 2.2 In deze zaak gaat het om het volgende. Appellante woont in een woning, die in eigendom aan haar toebehoort, aan de ….. in Ponton. Op 31 januari 2014 is aan de belanghebbende een bouwvergunning verleend voor het bouwen van een appartementencomplex van twee bouwlagen op een erf, dat hem in eigendom toebehoort, aan de ….. De woning van appellante ligt ten oosten van het appartementencomplex van de belanghebbende te …… en haar erf grenst aan de achterzijde met het appartementencomplex. 2.3 Appellante kan zich niet verenigen met de beslissing op bezwaar en verzoekt deze te vernietigen en te bepalen dat verweerder binnen een bepaalde termijn de tweede verdieping van het appartementencomplex, waarvoor de bouwvergunning is verleend, afbreekt dan wel de bouwvergunning ten aanzien van de tweede verdieping intrekt. Daartoe heeft zij aangevoerd dat verweerder bij het verlenen van de bouwvergunning aan de belanghebbende, zijn zorgvuldigheidsplicht heeft geschonden, omdat verweerder had moeten inzien dat het bouwen van een dergelijk “lelijk monstrueus bouwwerk” een belemmering ten aanzien van lucht, licht en privacy zou veroorzaken voor appellante, alsmede dat daarmee de waarde van haar woning sterk negatief zou worden beïnvloed. Appellante stelt voorts dat zij thans gestoord wordt in haar woninggenot en dat zij niet is gehoord alvorens de bestreden bouwvergunning werd verleend. Appellante stelt zich voorts op het standpunt dat verweerder zijn motiveringsplicht heeft geschonden, nu hij niet (aan haar) heeft uitgelegd waarom een bouwvergunning is afgegeven in strijd met artikelen 21a en 22 van de Bouw- en woningverordening (hierna: BWV) en de bepalingen van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek van Aruba ten aanzien van het burenrecht. Tenslotte stelt appellante dat de bepalingen van de BWV en de op grond daarvan aan de belanghebbende verleende bouwvergunning in strijd zijn met artikelen I.16 lid 1 en I.19 van de Staatsregeling van Aruba. 2.4 Ingevolge artikel 15 BWV worden bouwvergunningen verleend door de minister, belast met publieke werken. Ingevolge artikel 21a, eerste lid BWV legt de minister alvorens op de aanvraag te beslissen, de aanvraag voor advies voor aan een commissie van deskundigen, die beziet of het gebouw voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Het tweede lid bepaalt – voor zover hier van belang – dat bij de beoordeling van de vraag of een bouwwerk voldoet aan de redelijke eisen van welstand, acht wordt geslagen op de aanvaardbaarheid van het gebouw in relatie tot de karakteristiek van de reeds aanwezige bebouwing, de openbare ruimte, het landschap of de stedebouwkundige context (sub
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.