← Nederland

ECLI:NL:OGEAA:2016:159

Vonnis van 9 maart 2016 Behorend bij 1296 van 2015 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA VONNIS in de zaak van: [naam], wonende te Aruba, EISER, hierna ook te noemen: E*, gemachtigde: de advocaat mr. F.A. Gibbs, tegen: [naam], wonende te Aruba, GEDAAGDE, hierna ook te noemen: G*, gemachtigde: de advocaat mr. G. de Hoogd. 1DE PROCEDURE Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift; - de conclusie van antwoord; - de conclusie van repliek; - de conclusie van dupliek. De zaak is daarna verwezen naar de rol voor vonnis. 2DE VASTSTAANDE FEITEN 2.1 Partijen hebben in 1998 een bedrag ad Afl. 201.335,00 geleend, waarbij werd overeengekomen dat partijen deze lening gelijkelijk zouden aflossen. 2.2 Van dit bedrag heeft E* Afl. 175.989,47 en G* Afl. 32.596,60 afgelost. 2.3 E* heeft als productie 1 bij verzoekschrift een ‘schuldbekentenis’ overgelegd gedateerd op 27 augustus 2003, waarin G* erkent dat zij een bedrag ad Afl. 64.394,60 aan E* verschuldigd is. 3DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN 3.1 E* vordert - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - G* te veroordelen tot betaling van een bedrag ad Afl. 64.394,60, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 juni 2015 tot de dag der voldoening alsmede de proceskosten. 3.2 Aan deze vordering legt E* ten grondslag dat hij het gevorderde bedrag voor G* heeft afbetaald en zij hiervoor een schuldbekentenis heeft ondertekend. 3.3 G* voert verweer dat zo nodig bij de beoordeling aan de orde komt. 4DE BEOORDELING 4.1 Het meest verstrekkende verweer, het beroep op verjaring van de vordering, wordt als eerste behandeld. Indien dit verweer slaagt, behoeven de overige stellingen en weren geen verdere beoordeling. 4.2 Indien er veronderstellenderwijs vanuit wordt gegaan dat E* de overgelegde schuldbekentenis heeft ondertekend op 27 augustus 2003 heeft het volgende te gelden. 4.3 In de schuldbekentenis is geen termijn afgesproken waarbinnen G* de schuld diende af te lossen. Op grond van het bepaalde in artikel 6:38 BWA is de vordering derhalve direct opeisbaar. 4.4 Ingevolge het bepaalde in artikel 3:318 BWA is de verjaring van de vordering van E* op G* door het ondertekenen van de schuldbekentenis op 27 augustus 2003 gestuit. Op 28 augustus 2003 is op grond van artikel 3:319 BWA een nieuwe verjaringstermijn gaan lopen. Anders dan E* is het gerecht van oordeel dat het te kort schieten in de nakoming van een betalingsverlichting niet zonder meer onrechtmatig is. Nu E* geen feiten heeft gesteld die kunnen leiden tot de conclusie dat G* niet alleen tekort is geschoten maar ook onrechtmatig heeft gehandeld jegens E*, is de verjaringstermijn van artikel 3:307 BWA van toepassing. 4.5 Ingevolge het bepaalde in artikel 3:307 lid 1 BWA verjaart de vordering van E* op G* na verloop van vijf jaar. De verjaringstermijn is gaan lopen op 28 augustus 2003. Nu gesteld noch gebleken is dat E* de verjaring tijdig heeft gestuit, is de vordering uit hoofde van de schuldbekentenis d.d. 27 augustus 2003 op 28 augustus 2008 verjaard. 4.6 Uit het voorgaande volgt dat de vordering wordt afgewezen. 4.7 E* wordt nu hij in het ongelijk is gesteld in de kosten van de procedure veroordeeld. 5DE UITSPRAAK De rechter in dit gerecht: 5.1 wijst het gevorderde af; 5.2 veroordeelt E* in de kosten van de procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van G* worden begroot op Afl. 2.200,00 aan salaris van de gemachtigde. Dit vonnis is gewezen door mr. Y.M. Vanwersch, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 9 maart 2016 in aanwezigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.