Vonnis van 11 mei 2016 Behorend bij A.R. nr. 2748 van 2015 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA VONNIS in de zaak van: de naamloze vennootschap BOULEVARD HOTEL N.V., gevestigd in Aruba, eiseres, hierna ook te noemen: Boulevard, gemachtigde: de advocaat mr. P.R.C. Brown, tegen: de naamloze vennootschap, COMPANIA ARUBANO DI PARKEER N.V., gevestigd in Aruba, gedaagde, hierna ook te noemen: Aruparking, gemachtigde: de advocaat mr. R.A. Wix. 1DE PROCEDURE 1.1 Het verloop van de procedure, waarin geen gelegenheid wordt geboden voor re- en dupliek, blijkt uit: - het verzoekschrift, met producties; - de conclusie van antwoord, met producties. 1.2 Vonnis is bepaald op heden. 2DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN 2.1 Boulevard vordert dat het Gerecht bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis kosten rechtens: a. voor recht verklaart dat de parkeerwachters van Aruparking onbevoegd zijn om handhavend op te treden tegen voertuigen die in Aruba te Oranjestad aan de oostelijke kant van het Lagoen en ten westen van de Maria Christinastraat op twee meter afstand van de rijbaan geparkeerd staan; b. Aruparking veroordeelt om aan Boulevard (terug) te betalen Afl. 200,-- aan door Boulevard aan Aruparking betaalde boete en wegsleepkosten. 2.2 Boulevard voert verweer en concludeert dat Aruparking niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het door haar verzochte, althans tot afwijzing daarvan, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren kosten rechtens. 2.3 Voorzover van belang voor de beslissing worden de stellingen van partijen hierna besproken. 3DE BEOORDELING 3.1 Wat betreft de vraag of Boulevard al dan niet ontvankelijk is in het door haar verzochte wordt het volgende overwogen. Ingevolge het eerste lid van artikel 2 van de Landverordening parkeerzones (hierna: de Lvp) in verbinding met het eerste lid van artikel 1 van die verordening in samenhang gelezen met het eerste lid van artikel 1 van het Landbesluit verkeersregels worden delen van het grondgebied van Aruba aangewezen als parkeerzones, waarbinnen voor het parkeren van onder meer auto’s gedurende de dienaangaande vastgestelde dagen en uren parkeergeld verschuldigd is. Ingevolge het eerste lid sub a van artikel 1 van het Landsbesluit parkeerzones is als parkeerzone aangewezen Parkeerzone A in het centrum van Oranjestad, zijnde het gebied aangeduid in bijlage I bij dat Landsbesluit. Ingevolge het eerste lid sub a van artikel 10 van de Lvp is het onder meer verboden om in een parkeerzone een motorvoertuig zodanig te parkeren of geparkeerd te houden dat enig deel van dat voertuig zich buiten een parkeerplaats bevindt dan wel uitsteekt. Ingevolge het eerste lid van artikel 1 van de Lvp heeft als parkeerplaats in de zin van die verordening te gelden een vak gelegen op de openbare weg, openstaande terreinen of weggedeelten, bestemd voor het parkeren, waaronder begrepen de in de weg gelegen parkeerstroken, parkeerplaatsen of andere parkeergelegenheden, waar parkeren niet ingevolge een wettelijk voorschrift verboden is. 3.2 Tegen voormelde achtergrond is niet in geschil tussen partijen dat in dienst van Aruparking zijnde parkeerwachters krachtens daartoe gegeven wetgeving bevoegd zijn om handhavend op te treden ter zake van onder meer auto’s die fout geparkeerd staan in de zin van het hiervoor vermelde eerste lid sub a van artikel 10 van de Lvp. Gebleken is in dat verband dat de litigieuze aan Boulevard toebehorende auto (hierna: de auto) geparkeerd stond in de bij het eerste lid sub a van artikel 1 van het Landsbesluit parkeerzones aangewezen Parkeerzone A, zijnde een parkeerzone in de zin van eerste lid sub a van artikel 10 van de Lvp. Vast staat verder dat de auto binnen die parkeerzone (waar dus alleen gedurende de dienaangaande vastgestelde dagen en uren tegen betaling mag worden geparkeerd) stond geparkeerd geheel buiten een in het eerste lid van artikel 1 van de Lvp omschreven parkeervak of -plaats. 3.3 In het licht van al het vorenstaande gaat het Gerecht er voorlopig van uit dat de parkeerwachters van Aruparking met betrekking tot de in bedoelde parkeerzone geheel buiten een hiervoor omschreven parkeerplaats geparkeerde auto handhavend hebben opgetreden krachtens de Lvp in verbinding met de Wegsleepregeling parkeerzones (AB 2015 no. 43), door al dan niet onder aanvankelijke oplegging van een wielklem (in de zin van artikel 13 van de Lvp) de auto weg te (doen) slepen naar een bewaarplaats in die zin van voormelde Wegsleepregeling. Dat optreden heeft uiteindelijk geleid tot afgifte of uitreiking aan Boulevard van het als productie 3 bij het verzoekschrift overgelegde stuk. 3.4 Dat stuk (hierna: het document) heeft naar het voorlopig oordeel van het Gerecht te gelden als een beschikking in de zin van het eerste lid van artikel 2 van de Landsverordening administratieve rechtspraak. Het betreft immers schriftelijk stuk met daarin neergelegd een op rechtsgevolg gericht besluit. Dat besluit luidt kort zakelijk gezegd: Aruparking heeft geconstateerd dat uw auto in strijd met het aldaar geldende parkeerverbod ex eerste lid sub a van artikel 10 van de Lvp geparkeerd stond in parkeerzone A, naar aanleiding waarvan Aruparking tot handhavend optreden is overgaan welk optreden met zich brengt dat u een bedrag van Afl. 200,-- aan kosten van wegslepen en van bewaring van uw auto en/of aan bestuurlijke boete verschuldigd bent aan Aruparking, na betaling van welk bedrag u de auto weer terug krijgt. Dat besluit is afkomstig van of genomen door een krachtens publiekrecht met openbaar gezag omklede rechtspersoon (die daarom gelijk kan worden gesteld met een bestuursorgaan). Dit alles leidt tot de voorlopige conclusie dat te dezen voor Boulevard een andere met voldoende waarborgen omklede rechtsgang open staat of open stond, te weten de zogeheten Lar-procedure (te voeren bij de bestuursrechter van dit Gerecht na of gelijktijdig met een bij Aruparking in te stellen bezwaar). Als die conclusie bij eindvonnis definitief of juist wordt geoordeeld door het Gerecht, dient Boulevard niet-ontvankelijk verklaard te worden in het door haar verzochte. 3.5 In de omstandigheid dat vorenstaande niet tot uiting is gekomen in het door partijen tot nog toe gevoerde debat en het Gerecht een voor partijen verrassende beslissing dient te vermijden ziet het Gerecht aanleiding om een comparitie van partijen te gelasten als na te melden, tijdens welke partijen hun standpunt over al het vorenstaande kenbaar kunnen maken. 3.6 Boulevard wordt ter zitting voorts in elk geval in de gelegenheid gesteld om te reageren op de stelling van Aruparking dat aan Boulevard geen (volgens het Gerecht bestuurlijke) boete is opgelegd. Aruparking dient ter zitting helderheid te verschaffen aan het Gerecht en aan Boulevard over de vraag waarom het document zwijgt over
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.