Uitspraak van 13 juni 2016 LAR nr. 2317 van 2015 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA UITSPRAAK op het beroep in de zin van de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van: [APPELLANT] , wonend in Venezuela APPELLANT, gemachtigden: de advocaten mrs. A.A. Ruiz en A.M.N. Thijsen, gericht tegen: de minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Integratie, zetelende in Aruba, VERWEERDER, gemachtigden: mr. M.D. van Wilgen en J. Harewood (DIMAS). 1PROCESVERLOOP 1.1 Appellant heeft op 29 november 2013 bij verweerder bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van zijn aanvraag om verlenging van zijn vergunning tot tijdelijk verblijf. 1.2 Op 6 februari 2015 heeft de bezwaaradviescommissie Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de bezwaaradviescommissie) verweerder geadviseerd het bezwaar van appellant gegrond te verklaren. 1.3 Bij beschikking van 28 augustus 2015 heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. 1.4 Tegen deze beschikking heeft appellant op 6 oktober 2015 beroep ingesteld bij het gerecht. 1.5 Verweerder heeft een verweerschrift met producties ingediend. 1.6 Het beroep is behandeld ter terechtzitting van 29 februari 2016 en 21 maart 2016, alwaar appellant en verweerder zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden. 1.7 Partijen hebben op 18 april 2016 nadere stukken overgelegd. 1.8 De behandeling van het beroep is voortgezet op 9 mei 2016, alwaar appellant en verweerder zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden. 1.9 Hierna is uitspraak bepaald op heden. 2OVERWEGINGEN 2.1 Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Landsverordening toelating en uitzetting (hierna: de Ltu) wordt een vergunning tot tijdelijk verblijf verleend door of namens de minister, belast met vreemdelingenzaken, en heeft een duur van ten hoogste een jaar. 2.2 Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ltu kan een verzoek om verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf door of namens de minister, belast met vreemdelingenzaken, worden geweigerd, in verband met de openbare orde of het algemeen belang. 2.3 Ingevolge artikel 14 van het van het Toelatingsbesluit 2009 wordt bij regeling van de Minister geregeld, welke bescheiden een toelatingsplichtige bij het indienen van een eerste en volgende verzoek om verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 7 van de Ltu dient over te leggen. 2.4 Paragraaf 2.8 van het Herziene Toelatingsbeleid Vreemdelingen (hierna: Toelatingsbeleid) luidt, voor zover van belang: Toelating geschiedt onder de specifieke voorwaarde dat de resultaten van een onderzoek naar politiële, justitiële en criminele antecedenten in orde zijn voor de afgelopen vijf jaren. Dit houdt in dat de betreffende persoon geen criminele of justitieel negatieve antecedenten heeft. Indien de resultaten van het onderzoek negatief voor de vreemdeling zijn, zal zijn toelating tot Aruba worden geweigerd of indien reeds een verblijfstitel is verleend, kan deze worden ingetrokken. 2.5 Ingevolge paragraaf 2.9 van het Toelatingsbeleid dienen alle officiële documenten gelegaliseerd of gewaarmerkt (apostille) te zijn. 2.6 Aan de bestreden beschikking is, kort gezegd, ten grondslag gelegd dat appellant niet middels de juiste documenten heeft aangetoond dat hij geen criminele of justitieel negatieve antecedenten heeft. 2.7 Niet betwist is dat appellant ter ondersteuning van zijn aanvraag tot vier maal toe een verklaring omtrent het gedrag heeft overgelegd respectievelijk gedateerd 8 maart 2012, 9 juli 2013, 10 oktober 2013 en 13 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.