Vonnis van 22 juni 2016 Behorend bij A.R. 1615 van 2014 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA VONNIS in het incident tot tussenkomst zijdens de stichting STICHTING HOLLANDS VASTGOED IN COSTA RICA, te Nederland, hierna ook te noemen: Hollands Vastgoed, gemachtigde: de advocaat mr. G.W. Rep, tegen: Gedaagde, te Nederland, hierna ook te noemen: Gedaagde, niet verschenen. 1DE VERDERE PROCEDURE Het verloop van de procedure blijkt uit: - het inleidend verzoek; - het tegen Gedaagde verleende verstek op de zitting van 5 november 2014. De zaak is geschorst geweest in verband met hoger beroep. Dat beroep is vervallen verklaard in verband met het niet betalen van griffierecht. Daarna is de zaak in eerste aanleg opnieuw verwezen naar de rol voor vonnis. 2DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN 2.1 Hollands Vastgoed vordert – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van Gedaagde tot betaling van € 6.000.000,, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 18% per jaar vanaf 1 oktober 2013, met veroordeling van Gedaagde tot vergoeding van de proceskosten waaronder de beslagkosten. 2.2 Hollands Vastgoed grondt de vordering erop dat Gedaagde de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst moet nakomen en zij ter zake conservatoir verhaalsbeslag heeft gelegd. 2.3 Tegen Gedaagde is verstek verleend. 3DE BEOORDELING 3.1 Uit het gestelde onder 5 van het inleidend verzoekschrift blijkt dat Hollands Vastgoed voorziet dat Gedaagde niet aan de nakoming van de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst zal kunnen voldoen als een tweetal in conservatoir verhaalsbeslag genomen onroerende zaken niet op zodanige wijze executoriaal zullen worden verkocht dat Hollands Vastgoed meedeelt in de opbrengst. Hollands Vastgoed heeft mitsdien belang bij haar vordering, deze is opeisbaar en Gedaagde verkeert in verzuim met de nakoming daarvan (art. 6:83 aanhef en onder c BW) 3.2 Onder die omstandigheden is de vordering, die niet weersproken is en waarvan overigens niet is gebleken dat deze onrechtmatig of ongegrond is, toewijsbaar. 3.3 Als de in het ongelijk te stellen partij zal Gedaagde de proceskosten van Hollands Vastgoed moeten vergoeden. 4DE UITSPRAAK De rechter in dit gerecht: veroordeelt Gedaagde tot betaling aan Hollands Vastgoed van een bedrag van € 6.000.000,, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 18% per jaar, steeds over het saldo van de dan openstaande hoofdsom vanaf 1 oktober 2013 tot de dag waarop volledig zal zijn betaald; veroordeelt Gedaagde in de kosten van de procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van Hollands Vastgoed worden begroot op Afl. 7.500, aan griffierecht, Afl. 909,65 aan explootkosten en Afl. 12.200, aan salaris van de gemachtigde; verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Noordhuizen rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 22 juni 2016 in aanwezigheid van de griffier.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.