Vonnis van 28 september 2016 Behorend bij A.R. 2386 van 2013 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA VONNIS in de zaak van: de naamloze vennootschap ISLAND FINANCE ARUBA N.V., te Aruba, hierna ook te noemen: Island Finance, gemachtigde: de advocaat mr. M.E.D. Brown, tegen: [gedaagde], te Aruba, hierna ook te noemen: [gedaagde], gemachtigde: de advocaat mr. H.S. Croes. 1DE VERDERE PROCEDURE Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 18 februari 2015; - het proces-verbaal van getuigenverhoor van 21 augustus 2015; - het proces-verbaal van getuigenverhoor van 20 januari 2016; - de conclusie na enquête zijdens Island Finance; - de antwoordconclusie na enquête zijdens [gedaagde]. De zaak is daarna verwezen naar de rol voor vonnis. 2DE VERDERE BEOORDELING 2.1 Bij tussenvonnis van 18 februari 2015 heeft het gerecht Island Finance toegelaten tot bewijs door getuigen dat [gedaagde] binnen een periode van vijf jaar voorafgaande aan 23 augustus 2013 aan haar een of meer betalingen van Afl. 50, heeft gedaan en/of dat [gedaagde] de e-mail van 14 juni 2013 met bijlage op die datum heeft ontvangen. 2.2 Het gerecht is van oordeel dat Island Finance in ieder geval in het bewijs is van het eerste deel van het probandum geslaagd. Meerdere getuigen, waarvan de verklaring wordt ondersteund door schriftelijk bewijs, hebben immers verklaard dat [gedaagde] in de periode van vijf jaar voorafgaande aan 23 augustus 2013 een aantal deelbetalingen op zijn schuld aan Island Finance heeft gedaan. Daarmee was de verjaring gestuit. [gedaagde], als getuige gehoord, heeft die betalingen ook niet kunnen ontkennen. Dat [gedaagde] in de desbetreffende periode depressief was en daarvoor ook werd behandeld doet aan die stuiting niet af. Gesteld noch gebleken is waarom Island Finance aan die gedragingen redelijkerwijze niet de zin mocht toekennen, dat [gedaagde] bedoelde zijn schuld deels te betalen zodat [gedaagde] zich niet kan beroepen op het ontbreken van zijn met die gedraging overeenstemmende wil (art. 3:35 BW). 2.3 Over de ontvangst van de e-mail van 14 juni 2013 hoeft niet meer te worden geoordeeld. 2.4 Rest nog het beroep op nietigheid van het rentebeding in de geldleningsovereenkomst omdat de rente hoger is dan 1,5% per maand. Dat beroep faalt. 2.5 Het gerecht stelt vast dat in het onderhavige geval sprake is van een persoonlijke lening waarbij de (vaste) rentevergoeding over de looptijd van de lening wordt becijferd aan het begin daarvan en wordt opgeteld bij de geleende hoofdsom. Op basis van de looptijd van de lening wordt het te betalen maandbedrag becijferd. Dat systeem brengt met zich mee dat de geldlener (consument) van te voren weet welk bedrag hij daadwerkelijk leent, anders gezegd: over welk bedrag hij de vrije beschikking krijgt, en wat hij daarvoor gedurende de looptijd van de lening aan kredietvergoeding (rente en kosten) betaalt. 2.6 Anders dan het Nederlandse (en Europese) recht kent het Arubaanse recht, voor zover het gerecht kan nagaan, geen bijzondere bepalingen die consumenten beschermen tegen het bedingen van (te) hoge rentevergoedingen. De Arubaanse wetgever heeft daartoe kennelijk geen noodzaak gezien. Het is het gerecht ook niet bekend dat de Centrale Bank van Aruba in het kader van haar toezichthoudende taak beperkingen aan de met consumenten overeen te komen rente of andere leningsvoorwaarden zou stellen. In beginsel zijn partijen daarom vrij om iedere kredietvergoeding overeen te komen die zij wensen. 2.7 Uit de door Island Finance overgelegde stukken blijkt dat de effectieve kredietvergoeding op de onderhavige lening van in hoofdsom Afl. 9.951,22 een bedrag van Afl. 6.368,78 voor een termijn van 48 maanden beloopt. Dat is hoger dan de nominale rente van 18% per jaar in het vonnis van (destijds) het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 25 mei 1999, ECLI:NL:OGHNAA:1999:AH7917 waarnaar [gedaagde] kennelijk bedoelt te verwijzen. Dat vonnis zag echter niet op de kredietvergoeding in geval van een persoonlijke lening maar (kennelijk) op de overeengekomen rente op een schuldig erkend bedrag in hoofdsom. Het gerecht is van oordeel dat, wat er ook verder zij van het vonnis, de kans dat een consument lichtvaardig akkoord gaat met een (te) hoog rentepercentage hoger is in het geval dat hem niet onmiddellijk duidelijk is wat de rentevergoeding uiteindelijk daadwerkelijk zal zijn en hoe lang hij, hoeveel per maand moet betalen om van de gehele schuld, inclusief rente, verlost te zijn. In het onderhavige geval doet zich dat niet voor. Het moet voor [gedaagde] klip en klaar duidelijk zijn geweest hoeveel geld hij daadwerkelijk nominaal leende (Afl. 9.951,22), hoeveel rente hij daarover zou betalen (Afl. 6.368,78) en hoeveel maanden
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.