Vonnis van 2 november 2016 Behorend bij B.B. 292 van 2016 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA VONNIS op het verzet van: OPPSANTE, wonende in Nederland, OPPOSANTE, hierna ook te noemen: Opposante, procederend bij de door haar schriftelijk gevolmachtigde:[schriftelijke gevolmachtigde], tegen: DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP ECURY & PARTNERS N.V., te Aruba, GEOPPOSEERDE, hierna ook te noemen: EP, gemachtigde: de advocaat mr. A.F.J. Caster, 1DE PROCEDURE Het verloop van de procedure in verzet blijkt uit: - het op 11 maart 2011 ter griffie ingediende (oorspronkelijke) verzoekschrift van EP, met producties; - het bij verstek uitgesproken betalingsbevel van dit Gerecht van 17 augustus 2011 (hierna: het betalingsbevel waarvan verzet), waarbij Opposante uitvoerbaar bij voorraad is veroordeeld tot betaling aan EP van Afl. 5.865,--, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 12% per jaar over Afl. 5.100,-- gerekend vanaf 5 augustus 2006, alsmede tot betaling aan EP van Afl. 500,-- aan proceskosten; - de op 15 februari 2016 ter griffie ingediende conclusie van eis in oppositie, met producties; - de beschikking van dit Gerecht van 15 februari 2016, waarbij deze zaak voor tegenspraak is verwezen naar de terechtzitting van dit Gerecht van 2 maart 2016; - de op 25 mei 2016 genomen conclusie van antwoord in oppositie, met producties; - de op 7 september 2016 tegen Opposante verleende akte van niet dienen van repliek in oppositie. 1.2 Vonnis is nader bepaald op heden. 2DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN 2.1 Opposante vordert ontheffing van de op 17 augustus 2011 uitgesproken veroordeling en verzoekt “de uitbetaling met extra rente te stoppen of uit te laten vallen totdat ik mijn erfdeel heb gekregen. Tevens ga ik ervan uit dat u verdere invorderingsmaatregelen zult staken en gestaakt houdt totdat deze kwestie is opgehelderd”. 2.2 Opposante stelt dat de vordering van EP is verjaard, omdat zij pas, naar zij in haar verzetschrift stelt, onlangs van het betalingsbevel waarvan verzet in kennis is gesteld. Tevens stelt Opposante dat zij niet bij machte is te betalen. 2.3 EP voert hiertegen verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van Opposante in haar vordering, althans tot afwijzing daarvan en tot veroordeling van Opposante in de kosten van dit geding. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 3DE BEOORDELING IN OPPOSITIE 3.1 EP heeft betoogd dat Opposante niet-ontvankelijk is in haar verzet. Zij heeft dit verweer echter niet onderbouwd en dat had wel op haar weg gelegen, omdat Opposante in haar verzetschrift heeft gesteld dat zij pas onlangs van het verstekvonnis had vernomen. Het ontvankelijkheidsverweer van EP wordt verworpen. 3.2 Opposante heeft zich ter onderbouwing van haar verzet beroepen op de verjaring van de vordering van EP. Voor zover Opposante heeft bedoeld te stellen dat de vordering van EP uit hoofde van het verstekvonnis is verjaard, slaagt het verweer niet, omdat op grond van artikel 3:324 lid 1 BW de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een veroordelende rechterlijke uitspraak in beginsel verjaart na verloop van twintig jaar na de uitspraak. Daarvan is in casu nog geen sprake. Het vonnis dateert immers van 17 augustus
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.