Beschikking van 29 november 2016 behorend bij EJ nr. 2364 van 2016 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA BESCHIKKING op vordering van HET OPENBAAR MINISTERIE, in Aruba, vertegenwoordigd door de officier van justitie, om bekrachtiging van de voorlopige toevertrouwing aan de Voogdijraad van de minderjarige: [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2001 in [geboorteplaats]. Als belanghebbenden worden aangemerkt: [grootmoeder], de grootmoeder, tevens voogdes, gemachtigde: de advocaat mr. J.S. Croes, DE VOOGDIJ INSTELLING JEUGDBESCHERMING OVERIJSSEL, gemachtigde: de advocaat mr. N.S. Gravenstijn, DE VOOGDIJRAAD, vertegenwoordigd. 1DE PROCEDURE De procedure blijkt uit: de vordering van het openbaar ministerie ingediend op 23 september 2016, strekkende tot bekrachtiging van de voorlopige toevertrouwing van de aan de Voogdijraad; het verhoor van de minderjarige op 14 november 2016; de griffiersaantekeningen van de mondelinge behandeling ter zitting van 15 november 2016, waaruit blijkt dat zijn verschenen de officier van justitie, mr. Y. Pronk, de grootmoeder bijgestaan door haar gemachtigde, en de voogdij instelling Jeugdbescherming Overijssel bij haar gemachtigde. Namens de Voogdijraad waren aanwezig mevrouw A. Flanders en mevrouw mevrouw V. Kelly. De 2. DE FEITEN 2.1 De moeder van de minderjarige is in oktober 2015 in Nederland aan een drugsoverdosis overleden. De moeder oefende van rechtswege het gezag over de minderjarige alleen uit. 2.2 Bij beschikking van 4 februari 2016 van de kinderrechter in de Rechtbank Overijssel is de grootmoeder (onvoorwaardelijk) belast met de voogdij over de minderjarige. 2.3 Op 2 juli 2016 zijn de voogdes en de minderjarige naar Aruba verhuisd. De voogdes staat inmiddels ingeschreven in het Bevolkingsregister van Aruba. 2.4 Op 9 september 2016 heeft het openbaar ministerie de minderjarige aan het gezag van de voogdes onttrokken en voorlopig aan de Voogdijraad toevertrouwd. Sindsdien is zij geplaatst in het Orthopedagogisch Centrum (hierna: OC). 2.5 Bij beschikking van 26 september 2016 van de Rechtbank Overijssel is, op het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming te Zwolle strekkende tot voorziening in de voorlopige voogdij van de minderjarige, de Voogdij Instelling Jeugdbescherming Overijssel tijdelijk belast met de voogdij over de minderjarige. 2.6 Bij vonnis van 26 september 2016 van dit gerecht heeft de kortgedingrechter in het kort geding tussen de voogdes en de Voogdijraad, de Voogdijraad verboden uitvoering te geven aan het voornemen om de minderjarige naar Nederland te laten afreizen en de Voogdijraad geboden al datgene in het werk te stellen om te voorkomen dat de minderjarige hangende de procedure tot bekrachtiging van de toevertrouwing naar Nederland afreist. 3DE BEOORDELING Bevoegdheid gerecht 3.1.1 Artikel 429ba Rv bepaalt dat aan de rechter geen rechtsmacht toekomt, indien het verzoek onvoldoende aanknoping met de rechtssfeer van Aruba heeft. Van de relevante aanknopingspunten in zaken betreffende het gezag over minderjarige kinderen moet het zwaarste - en doorgaans doorslaggevend - gewicht worden toegekend aan de gewone verblijfplaats van die kinderen, zijnde het uitgangspunt in het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996. 3.1.2 In dit geval gaat het om een voorlopige kinderbeschermingsmaatregel ingevolge artikel 1:272 van het Burgerlijk Wetboek van Aruba (BWA), die alhier door de lokale instanties is getroffen en waarover dit gerecht dient te oordelen. Reeds op grond hiervan is dit gerecht bevoegd. 3.1.3 Voorts is ter zitting gebleken dat de voogdes en de minderjarige begin juli 2016 naar Aruba zijn verhuisd en sindsdien hier verblijven, dat zij sinds 21 augustus 2016 in Nederland zijn uitgeschreven, en dat de voogdes inmiddels alhier is ingeschreven. Ingevolge artikel 1:10, lid 1 BWA bevindt de woonplaats van een natuurlijk persoon zich te zijner woonstede, met dien verstande dat een natuurlijk persoon die hier te lande in de basisadministratie persoonsgegevens ingeschreven staat, steeds vermoed wordt zijn woonstede hier te lande te hebben. Artikel 1:12 lid 1 BWA bepaalt dat een minderjarige de woonplaats volgt van hem die het gezag over hem uitoefent. Gelet hierop komt in dit geval uitsluitend aan de Arubaanse rechter rechtsmacht toe. Het wettelijk kader 3.2 Ingevolge artikel 1:332 BWA kan de officier van justitie op grond van feiten die tot ontzetting van de voogdij kunnen leiden, indien hij dit in het belang van de minderjarigen noodzakelijk acht, hen aan het gezag van de voogd onttrekken en voorlopig aan de voogdijraad toevertrouwen. Artikel 1:272, tweede tot en met vierde lid, BWA is van overeenkomstige toepassing. Ingevolge artikel 1:272, lid 2 BWA vervalt de toevertrouwing indien het openbaar ministerie niet binnen veertien dagen van de rechter haar bekrachtiging heeft gevorderd. Ingevolge artikel 1:272, lid 3 van het Burgerlijk Wetboek van Aruba (BW) kan de rechter, indien de bekrachtiging tijdig is gevorderd, hetzij de teruggave van het kind aan zijn ouders (voogd) bevelen, hetzij een van de beschikkingen geven, bedoeld in artikel 1:271 BW. 3.3 De bekrachtiging is tijdig gevorderd, zodat de toevertrouwing nog van kracht is. 3.4 Artikel 1:327 BWA vormt de basis voor de kinderbeschermingsmaatregel van de ontzetting van een voogd. Deze maatregel is de zwaarste en de meest infamerende van de bestaande kinderbeschermingsmaatregelen. Door middel van deze kinderbeschermingsmaatregel kan immers een einde worden gemaakt aan het gezag van een voogd als sprake is van moedwillig plichtsverzuim of onwaardigheid de taak als opvoeder te vervullen. De ontzetting heeft derhalve een onterend en verwijtend karakter. Op grond van het eerste lid geldt dat de ontzetting in het belang van de minderjarige noodzakelijk moet zijn. Daarnaast dient voor de ontzetting een grond te bestaan. De gronden zijn onder andere (sub
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.