Beschikking van 10 januari 2017 Behorend bij EJ nr. 958 van 2015 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA BESCHIKKING op het verzoek van [de vader], wonende in Aruba, VERZOEKER, hierna te noemen: de vader, gemachtigde: de advocaat mr. E.M.J. Cafarzuza, tegen [de moeder], wonende in Aruba, VERWEERSTER, hierna te noemen: de moeder, gemachtigde: de advocaat mr. C.S. Edwards. Belanghebbende: [de minderjarige], de minderjarige. 1DE PROCEDURE De eerdere procedure blijkt uit de beschikking van dit gerecht van 19 januari 2016, waarbij de Voogdijraad is verzocht ten aanzien van het verzoek inzake het ouderlijk gezag, hoofdverblijf en omgang, onderzoek te doen naar de sociale omstandigheden van partijen en daarover een rapport uit te brengen. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: - het rapport van de Voogdijraad, ingediend op 6 september 2016, - de griffiersaantekeningen van de mondelinge behandeling achter gesloten deuren op 8 november 2016, waaruit blijkt dat de partijen in persoon bijgestaan door hun gemachtigde zijn verschenen. Namens de Voogdijraad waren aanwezig mevrouw A. Flanders en mevrouw G. Hoogvliets. De uitspraak is bepaald op heden. 4DE VERDERE BEOORDELING Gezag 4.1 Het verzoek is gebaseerd op artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek van Aruba (hierna: BW). Artikel 1:253c lid 1 BW biedt de tot het gezag bevoegde vader, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de mogelijkheid om het gerecht te verzoeken om hem in plaats van de moeder met het gezag over het kind te belasten. Uit de jurisprudentie (vgl. HR 27 mei 2005, NJ 2005, 485) volgt dat dit artikel in overeenstemming met artikel 6 lid 1 EVRM aldus moet worden uitgelegd, dat de vader niet alleen om toekenning van eenhoofdig, maar ook van gezamenlijk gezag over het kind kan verzoeken. Aangenomen moet worden dat indien een op eenhoofdig of gezamenlijk gezag gericht verzoek van de vader voorligt, eenhoofdig gezag slechts in aanmerking komt indien de rechter zulks in het belang van het kind wenselijk oordeelt (vgl. GHvJNAA 6-1-2009; ECLI:NL:OGHNAA:2009:BH0540). 4.2 Bij de beoordeling van de vraag welke gezagsvoorziening in het belang van de minderjarige wenselijk is, neemt het gerecht het volgende in aanmerking. Uitgangspunt is dat slechts in uitzonderingsgevallen kan worden aangenomen dat het belang van het kind vereist dat alleen een van de ouders met het gezag over hem wordt belast, zoals met name indien er een onaanvaardbaar risico bestaat dat het kind bij gezamenlijk gezag van de ouders klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen (vgl. HR 18 maart 2005, LJN AS8525). 4.3 De vader stelt dat hij wil worden belast met het ouderlijke gezag over de minderjarige, omdat partijen duidelijk niet met elkaar kunnen communiceren. De vader heeft verklaard dat hij de minderjarige sinds 26 december 2015 niet meer heeft gezien. Tevens heeft hij gesteld dat de moeder geen stabiliteit, structuur en routine aan de minderjarige kan bieden. Zij heeft geen baan, heeft een nieuwe partner die in de drugswereld is en zij beseft de ernst hiervan niet. 4.4 De moeder heeft te kennen gegeven bezwaar te hebben tegen het toekennen van het ouderlijk gezag aan de vader. De moeder vreest dat de minderjarige bij de vader zal worden geplaatst. Volgens de moeder heeft de minderjarige tegen haar verklaard dat de vader haar geslachtsdeel betast zou hebben. Als gevolg hiervan heeft de moeder aangifte gedaan bij de Jeugd en Zeden Politie. De moeder heeft om die reden geen enkel vertrouwen in de vader. Zij stelt daarnaast dat de vader haar tijdens hun relatie meerdere malen heeft mishandeld. Verder verklaart de moeder ter zitting dat zij geen bezwaar heeft tegen omgang tussen de minderjarige en de vader, mits zij ook aanwezig is. De moeder stelt zich alleen te verzetten tegen een onbegeleide omgangsregeling. 4.5 In het rapport van de Voogdijraad staat, voor zover hier van belang, het volgende. De moeder heeft begin augustus 2015 bij de Jeugd en Zeden Politie aangifte gedaan tegen de vader van vermoedelijke ontuchtige handelingen. De minderjarige is eind augustus 2015 door een kinderarts onderzocht. Uit het rapport blijkt dat de kinderarts geen bewijs heeft gevonden van ontuchtige handelingen of van misbruik van de minderjarige. Verder blijkt uit het rapport dat de minderjarige bij navraag door een psycholoog niet in details kon gaan over de vermoedelijke handelingen. De psycholoog concludeert dat er onvoldoende indicatie is voor ontucht nu ook moeder als vermoedelijke dader is genoemd. Tevens is het onderzoek door de Jeugd en Zeden Politie niet voortgezet omdat de politie geen terugkoppeling had gekregen van het medische onderzoek wegens de onbereikbaarheid van de moeder. 4.6 Daarnaast is uit het rapport gebleken dat de moeder blijft volhouden dat er sprake was van ontuchtige handelingen door de vader bij de minderjarige. Als gevolg hiervan heeft de vader de minderjarige sinds 26 december 2015 niet meer gezien omdat de moeder de omgang van de vader met de minderjarige heeft tegengehouden. De moeder ziet de ernst, in haar handelen en het gebruik van drugs, niet. Er zijn gedragsproblemen bij de minderjarige omdat de moeder weinig aandacht besteedt aan structuur. De moeder heeft weinig reflectievermogen in haar rol als opvoeder. Wat betreft de vader wordt er geen weerstand geconstateerd bij de minderjarige. De vader heeft een vaste baan en weet wat in het belang is van de minderjarige. Er is geen communicatie tussen de moeder en de vader sinds januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.