Vonnis van 29 maart 2017 Behorend bij A.R. no. 3434 van 2012 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA VONNIS in de hoofdzaak van: EISERES, wonende in Aruba, eiseres, hierna ook te noemen: [eiseres], gemachtigde: de advocaat mr. G.L. Griffith, tegen: GEDAAGDE, wonende in Aruba, gedaagde, hierna ook te noemen: [gedaagde], gemachtigde: de advocaat mr. M. Croes, en in het incident tot vrijwaring van: [EISERES], wonende in Aruba, eiseres in het incident, hierna ook te noemen: [eiseres], gemachtigde: de advocaat mr. G.L. Griffith, tegen: [GEDAAGDE], wonende in Aruba, verweerder in het incident, hierna ook te noemen: [gedaagde], gemachtigde: de advocaat mr. M. Croes. 1DE PROCEDURE in de hoofdzaak en in het vrijwaringsincident 1.1 Het verloop van de procedure tot 25 november 2015 blijkt uit het tussenvonnis van dit Gerecht van die datum. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: -het proces-verbaal van bewijslevering van 8 januari 2016; -de door [eiseres] genomen conclusie na bewijslevering; -de op 7 december 2016 tegen [gedaagde] verleende akte van niet dienen van een antwoordconclusie na bewijslevering. 1.2 Vonnis is nader bepaald op heden. 2DE VERDERE BEOORDELING in de hoofdzaak 2.1 Het Gerecht volhardt in zijn in de tussenvonnissen neergelegde overwegingen en beslissingen. 2.2 Naar het oordeel van het Gerecht is [eiseres] er niet geslaagd om te bewijzen dat [Naam 1] (hierna: [naam 1]) vlak na haar echtscheiding met [gedaagde] afstand heeft gedaan van haar aandeel in het bij partijen genoegzaam bekende onroerend goed. Getuige [naam 1] heeft immers onder ede verklaard dat zij bedoelde afstand niet heeft gedaan. Daardoor komt niet vast te staan dat [eiseres] voor de helft gerechtigd is tot dat onroerend goed, zoals door haar gesteld. Vast komt te staan de [eiseres] (net als [gedaagde]) voor ¼ deel gerechtigd tot dat in Aruba te [adres] gelegen onroerend goed (hierna: de woning). Het Gerecht zal verstaan dat [naam 1] voor de helft gerechtigd blijft tot dat onroerend goed. 2.3 [naam 1], die voor ½ deel gerechtigd is tot het onroerend goed, heeft nadat zij als getuige was gehoord ter zitting verklaard dat zij akkoord gaat met de verdeling van het onroerend goed indien en voor zover dat haar deel onaangetast laat. In dat gegeven en de omstandigheid dat [eiseres] al in elk geval vanaf 2008 de woning bewoond en sindsdien voor een substantieel bedrag in die woning heeft geïnvesteerd (waarover hierna meer) ziet het Gerecht mede aanleiding om het deel van [gedaagde] toe te delen aan [eiseres], die dan uit hoofde van overbedeling 1/4 deel van de vrije marktwaarde van het onroerend goed verschuldigd is aan [eiseres], ofwel (1/4 x 28.200,-- =) Afl. 7.050,--. 2.4 Anders dan [eiseres] stelt is zij naar het oordeel van het Gerecht een gebruiksvergoeding verschuldigd aan [gedaagde] over de periode dat zij na de echtscheiding van partijen alleen het onroerend goed heeft bewoond en gebruikt, en aldus ook gebruik heeft gemaakt van het 1/4 aan [gedaagde] toebehorende deel daarvan. [eiseres] bewoont en gebruikt het onroerend goed in elk geval vanaf 2008 tot heden. Voor de berekening van bedoelde vergoeding neemt het Gerecht de geschatte gemiddelde marktwaarde van het onroerend goed in aanmerking over de periode dat [eiseres] daar heeft gewoond. Die marktwaarde stelt het Gerecht vast op Afl. 25.000,-- (in welk bedrag een deel van de door [eiseres] gedane investeringen in het onroerend goed is verdisconteerd). Aldus wordt de maandelijkse gebruiksvergoeding vastgesteld als volgt: 1/4 x ((6% x 25.000,--) : 12) = : 1/4 x (1.500,-- : 12) = 1/4 x 125,-- = Afl. 31,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.