← Nederland

ECLI:NL:OGEAA:2017:254

Beschikking van 11 april 2017 behorend bij EJ nr. 3019 van 2016 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA BESCHIKKING op het verzoek van [X], wonende in Aruba, hierna te noemen: de vrouw, gemachtigde:de advocaat mr. G. de Hoogd, tegen: [Y], wonende in Aruba, te [adres], hierna te noemen: de man, procederend in persoon. 1DE PROCEDURE De procedure blijkt uit: - het verzoekschrift met producties, ingediend op 8 december 2016, - de griffiersaantekeningen van de mondelinge behandeling van 28 februari 2017, waaruit blijkt dat zijn verschenen de vrouw in persoon bijgestaan door haar gemachtigde en de man in persoon. De uitspraak is nader 2DE FEITEN Partijen zijn op 22 maart 2011 in Aruba in gemeenschap van goederen met elkaar getrouwd. Tussen hen is de echtscheiding uitgesproken bij beschikking van 22 augustus 2016. 3DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN 3.1 Het verzoek van de vrouw strekt tot veroordeling van de man om maandelijks een bedrag van Afl. 2.000,- aan haar te betalen als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. Ter onderbouwing van haar verzoek heeft zij aangevoerd dat zij onvoldoende inkomen uit arbeid geniet en behoeftig is. 3.2 De man heeft draagkrachtverweer gevoerd en de behoeftigheid van de vrouw betwist. 4DE BEOORDELING 4.1 Het verzoek is gegrond op artikel 1:157 van het Burgerlijk Wetboek van Aruba (BW). Ingevolge deze bepaling kan de rechter aan de ene echtgenoot die niet voldoende inkomsten tot zijn levensonderhoud heeft en zich die in redelijkheid niet kan verwerven, op diens verzoek ten laste van de andere echtgenoot een uitkering tot levensonderhoud toekennen. 4.2 Bij de beoordeling van een dergelijk verzoek dient enerzijds rekening te worden gehouden met de (mate van) behoeftigheid van de verzoekende echtgenoot en anderzijds met de draagkracht van de andere echtgenoot, alsmede met de feitelijke situatie waarin de echtgenoten door het huwelijk en de ontbinding ervan zijn komen te verkeren. In dat verband kunnen alle omstandigheden van het geval, ook niet financiële, een rol spelen. 4.3 Bij de vaststelling van de behoefte van de vrouw gaat het gerecht er vanuit dat zij een bedrag van minimaal Afl. 1.400,- per maand nodig heeft om in haar eigen bestaan te voorzien. Het gerecht is van oordeel, gelet op het verhandelde ter zitting en de overgelegde stukken, dat niet gezegd kan worden dat de vrouw behoeftig is, in die zin dat zij geen inkomsten tot haar levensonderhoud heeft of zich in redelijkheid kan verwerven om in haar levensonderhoud te voorzien. De vrouw moet, gezien haar leeftijd en beroep, in staat worden geacht inkomsten uit arbeid te genereren zodanig dat zij geheel in haar eigen behoeften kan voorzien. Gelet hierop zal het gerecht het verzoek van de vrouw afwijzen. 4.4 Gelet op het door de vrouw overgelegde bewijs van onvermogen van 15 augustus 2016 zal de vrouw toelating worden verleend kosteloos te procederen. 5DE BESLISSING Het gerecht: verleent de vrouw toelating om kosteloos te procederen, wijst het verzoek voor het overige af. Deze beschikking is gegeven door mr. P.A.H. Lemaire, rechter in dit gerecht, ter zitting van dinsdag 11 april 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.