← Nederland

ECLI:NL:OGEAA:2017:264

Vonnis van 12 april 2017 Behorend bij A.R. nr. 1740 van 2014 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA VONNIS in de zaak van: de naamloze vennootschap ISLAND FINANCE ARUBA N.V., gevestigd in Aruba, eiseres, hierna ook te noemen: IFA, gemachtigde: de advocaat mr. M.E.D. Brown, tegen: [naam gedaagde], wonende in Aruba te [adres], gedaagde, hierna ook te noemen: G*, procederend in persoon. 1DE PROCEDURE 1.1 Het verloop van de procedure tot 18 mei 2016 blijkt uit het tussenvonnis van dit Gerecht van die datum. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: -het deskundigenbericht van 18 augustus 2016; -de (verbeterde) door G* genomen conclusie na deskundigenbericht; -de door IFA genomen antwoordconclusie na deskundigenbericht. 1.2 Vonnis is nader bepaald op heden. 2DE VERDERE BEOORDELING 2.1 Het Gerecht volhardt in zijn in de tussenvonnissen neergelegde overwegingen en beslissingen. Meer in het bijzonder blijft het Gerecht (althans ondergetekende rechter) bij zijn eerdere oordeel dat hier te lande met betrekking tot kredietverlening als in het onderhavige geval een contractuele rente van 1,5% maandelijks of 18% jaarlijks het maximaal aanvaardbare rentepercentage is, en dat alles daarboven nietig is als zijnde in strijd met de goede zeden en/of de openbare orde. Zie in dit verband rechtsoverweging 3.13 van het (bodemzaak)vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 25 oktober 2016 (gepubliceerd onder ECLI:NL (https://recht.nl/rechtspraak/uitspraak?ecli=ECLI:NL):OGHACMB (https://recht.nl/rechtspraak/uitspraak?ecli=ECLI:NL:OGHACMB):2016 (https://recht.nl/rechtspraak/uitspraak?ecli=ECLI:NL:OGHACMB:2016):119 (https://recht.nl/rechtspraak/uitspraak?ecli=ECLI:NL:OGHACMB:2016:119)), uit welke uitspraak volgt dat zelfs in niet-consumentenverhoudingen een rentepercentage van 1,5% maandelijks of 18% jaarlijks het maximaal aanvaardbare percentage is. 2.2 Nu partijen de deskundigheid en de betrouwbaarheid van de deskundige en de inhoud van haar rapport niet of onvoldoende hebben bestreden maakt het Gerecht (de inhoud van) dat rapport tot de zijne. Vast komt daarom te staan de door IFA tussen partijen bedongen rente 9,25% hoger is dan 18% jaarlijks. Dat brengt met zich dat de tussen partijen gesloten overeenkomst van geldlening met betrekking tot dat 18% jaarlijks overstijgende rentepercentage nietig is. 2.3 In haar antwoordconclusie na deskundigenbericht onder 8. heeft IFA haar aanvankelijke eis gewijzigd. Die gewijzigde eis heeft hier als ingelast te gelden. G* heeft niet kunnen reageren op de gewijzigde eis van IFA (en de onderbouwing(en) daarvan), terwijl het Gerecht dat wel noodzakelijk oordeelt. G* zal daarom in de gelegenheid worden gesteld om dat alsnog te doen (en dat met name met betrekking tot de subsidiaire eis, ter zake van welke eis IFA het maximaal aanvaarbare rentepercentage van 1,5% maandelijks lijkt toe te passen). IFA wordt vervolgens in de gelegenheid gesteld om bij antwoordakte te reageren op de door G* te nemen akte. 2.4 Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. 3DE UITSPRAAK Het Gerecht: -stelt G* in de gelegenheid om zich bij akte uit te laten over hetgeen zij zich ingevolge rechtsoverweging 2.3 dient uit te laten, en verwijst de zaak daartoe naar de rolzitting van 17 mei 2017, ambtshalve peremptoir (P-1); -stelt IFA in de gelegenheid om zich bij akte uit te laten over de door G* te nemen akte, en verwijst de zaak daartoe naar een door de rolrechter nader te bepalen rolzitting, eveneens ambtshalve peremptoir (P-1); -houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 12 april 2017 in aanwezigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.