Vonnis van 19 april 2017 Behorend bij A.R. no. 2964 van 2016 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA VONNIS in de zaak van: de naamloze vennootschap ARUBA BANK N.V., gevestigd te Aruba, eiseres, gemachtigde: mr. W.G.T.M. Kloes, tegen: Gedaagde, wonende te Aruba, gedaagde, procederende in persoon.
- DE PROCEDURE 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift, ingediend op 2 december 2016, - het mondelinge antwoord ter rolle, - de griffiersaantekeningen van de comparitie van partijen die heeft plaatsgevonden op 7 maart 2017, alwaar de gemachtigde van eiseres, samen met twee werknemers van eiseres, en tevens gedaagde in persoon is verschenen. 1.2 Vonnis is bepaald op heden. 2DE VASTSTAANDE FEITEN 2.1 Tussen partijen zijn een geldleningsovereenkomst, een rekening-courantverhouding en een overeenkomst m.b.t. een credit card tot stand gekomen. 2.2 Eiseres heeft gedaagde bij brief d.d. 29 augustus 2016 gesommeerd om tot betaling van Afl. 18.360,14 vermeerderd met rente en kosten uit hoofde van voornoemde overeenkomsten over te gaan. 3DE VORDERING EN STANDPUNTEN VAN PARTIJEN 3.1 Eiseres vordert dat het gerecht bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde veroordeelt om aan eiseres te voldoen: - Afl. 8.656,86 uit hoofde van de geldleningsovereenkomst vermeerderd met 18% contractuele rente per jaar vanaf 24 augustus 2016 tot aan de dag van algehele voldoening, - Afl. 58,24 uit hoofde van de rekening-courantverhouding vermeerderd met 18% contractuele rente per jaar vanaf 24 augustus 2016 tot aan de dag van algehele voldoening, - US$ 5.276,57, althans de tegenwaarde daarvan in Arubaanse courant, vermeerderd met 18% contractuele rente per jaar vanaf 24 augustus 2016 tot aan de dag van algehele voldoening, - Afl. 2.754,03 aan buitengerechtelijke incassokosten, - kosten rechtens. 3.2 Eiseres stelt dat vordering opeisbaar is, aangezien gedaagde haar betalingsverplichtingen ondanks sommatie en aanmaning niet is nagekomen. De creditcardschuld is blijkens een ter comparitie door eisers verstrekt overzicht opgebouwd als volgt: Beginning Balance as per 12-Aug-2012 up to 09-Feb-2017 US$ 2.409,79 Balance Protection Fee 11-Sep-2012 up to 11-Nov-2012 US$ 22,70 Paper Statement Fee 11-Sep-2012 up to 12-Aug-2016 US$ 108,00 Fraud Protection Fee 12-Sep-2014 US$ 24,00 Finance Charges 12-Sep-2012 up to 09-Feb-2017 US$ 1.879,38 Annual Fee 12-Oct-2012 US$ 50,00 Late Fee 12-Oct-2012 up to 11-Sep-2016 US$ 960,00 Total US$ 5.453,87 Eiseres heeft ter comparitie de Fraud Protection Fee, de Annual Fee en de Late Fees laten varen en in zoverre haar eis verminderd, zodat ter zake de creditcardschuld nog een bedrag van US$ 4.419,87 wordt gevorderd per 9 februari 2017, te vermeerderen met rente. 3.3 Gedaagde erkent de vordering voor zover die betrekking heeft op de geldleningsovereenkomst (Afl. 8.656,86) en rekening-courantverhouding (Afl. 58,24). Zij erkent ook de Beginning Balance ad US$ 2.409,79 ter zake van de creditcard verschuldigd te zijn, maar betwist de vordering die betrekking heeft op de credit card voor wat betreft de kosten omdat eiseres de creditcard in augustus 2012 heeft ingenomen en zij geen gebruik meer heeft gemaakt van de creditcard.
- DE BEOORDELING 4.1 Eiseres heeft de door haar gevorderde hoofdsom en rente voldoende onderbouwd, met uitzondering van de gevorderde Balance Protection Fee en Paper Statement Fee. Eiseres heeft onvoldoende onderbouwd gesteld dat partijen die kosten zijn overeengekomen, terwijl gedaagde daartegen gemotiveerd verweer heeft gevoerd. Deze kosten zijn ook niet terug te vinden in de ter comparitie overgelegde algemene voorwaarden ter zake van de creditcard. Gedaagde heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat zij de Finance Charges verschuldigd is, nu partijen die rente zijn overeengekomen en gedaagde de Beginning Balance, die zij wel heeft erkend, al die tijd onbetaald heeft gelaten. De gevorderde hoofdsommen, die van de creditcard verminderd met de Balance Protection Fee en de Paper Statement Fee, en de gevorderde rente, die van de creditcard vanaf 9 februari 2017, liggen derhalve voor toewijzing gereed. 4.2 Het gerecht begrijpt het verweer van gedaagde aldus, dat zij het ook niet eens is met de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten. Eiseres heeft gesteld dat partijen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten (15%) zijn overeengekomen. In de geldleningsovereenkomst staat onder Expenses slechts vermeld “(..) including extra-judicial collection fees which may run up to fifteen percent (..)”. Hieruit volgt niet dat partijen zijn overeengekomen dat gedaagde 15% buitengerechtelijke incassokosten moet betalen. Het gaat om de daadwerkelijk gemaakte kosten, welke, zo daadwerkelijk gemaakt, in beginsel toewijsbaar zijn naar rato van 1 1/2 punt van het liquidatietarief. Eiseres heeft niet voldoende onderbouwd gesteld dat zij daadwerkelijk buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier, voor welke verrichtingen de proceskostenveroordeling een vergoeding insluit. Het gerecht ziet in deze omstandigheden aanleiding de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten af te wijzen. 4.3 Als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij dient gedaagde veroordeeld te worden in de proceskosten die aan de zijde van eiseres zijn gevallen, welke kosten worden begroot op Afl. 750,00 aan griffiegeld, Afl. 396,71 aan oproepingskosten en Afl. 2.000,00 (2 punten bij tarief 4) aan gemachtigdensalaris. 5DE BESLISSING De rechter in dit gerecht, recht doende: 5.1 veroordeelt gedaagde om aan eiseres te betalen het bedrag van Afl. 8.656,86 (uit hoofde van de geldleningsovereenkomst), te vermeerderen met 18% rente per jaar vanaf 24 augustus 2016 tot aan de dag van algehele voldoening; 5.2 veroordeelt gedaagde om aan eiseres te betalen het bedrag van Afl. 58,24 (uit hoofde van de rekening-courant verhouding), te vermeerderen met 18% rente per jaar vanaf 24 augustus 2016 tot aan de dag van algehele voldoening; 5.3 veroordeelt gedaagde om aan eiseres te betalen het bedrag van US$ 4.289,17 (uit hoofde van de creditcard overeenkomst), althans de tegenwaarde daarvan in Arubaanse courant, te vermeerderen met 18% rente per jaar vanaf 9 februari 2017 tot aan de dag van algehele voldoening; 5.4 veroordeelt gedaagde in de proceskosten gevallen aan de zijde van eiseres, tot op heden begroot op Afl. 750,00 aan griffiegeld, Afl. 396,71 aan oproepingskosten en Afl. 2.000,00 aan gemachtigdensalaris. 5.5 verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 5.6 wijst af het meer of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen door mr. M. Schoemaker, rechter, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 19 april 2017 in aanwezigheid van de griffier.