Vonnis van 10 mei 2017 Behorend bij A.R. 2969 van 2016 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA VONNIS in de zaak van: de naamloze vennootschap ARUBA BANK N.V., te Aruba, hierna ook te noemen: Aruba Bank, gemachtigde: de advocaat mr. W.G.T.M. Kloes, tegen: 1Gedaagde X,
- Gedaagde Y, te Aruba, GEDAAGDEN, hierna ook te noemen: [gedaagden], respectievelijk [X] en [Y], procederend in persoon. 1DE VERDERE PROCEDURE Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 15 februari 2017; - de aantekeningen van de griffier ter gelegenheid van de comparitie van partijen op 29 maart
- De zaak is daarna verwezen naar de rol voor vonnis. 2DE VASTSTAANDE FEITEN 2.1 Partijen zijn op 2 oktober 2013 een geldleningovereenkomst aangegaan. 2.2 Partijen zijn op 2 mei 2015 van elkaar gescheiden. 2.3 Aruba Bank heeft [gedaagden] bij brief van 20 september 2016 (laatselijk) gesommeerd om tot betaling van de openstaande bedragen. [gedaagden] heeft aan deze sommatie geen gehoor gegeven. 3DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN 3.1 Aruba Bank vordert (na eisvermindering) – uitvoerbaar bij voorraad – hoofdelijk veroordeling van [gedaagden] tot betaling aan Aruba Bank van Afl. 46.692,61, te vermeerderen met de overeengekomen rente ad 15% per jaar vanaf 19 augustus 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, veroordeling van [X] tot betaling aan Aruba Bank van Afl. 44,13, te vermeerderen met de overeengekomen rente ad 18% per jaar vanaf 19 augustus 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van 15% buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van [gedaagden] tot vergoeding van de proceskosten. 3.2 Aruba Bank grondt de vordering erop dat [gedaagden] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de uit de overeenkomst voortvloeiende verbintenis tot terugbetaling. 3.3 [ gedaagden] erkennen dat ze geld verschuldigd zijn aan Aruba Bank. [Y] voert echter aan dat hij niet aansprakelijk is voor de gevorderde maar wel [X]. 4DE BEOORDELING 4.1 Vaststaat dat tussen partijen een geldleningsovereenkomst heeft bestaan en dat [gedaagden] in de betaling op die overeenkomst nalatig is gebleven. 4.2 [ Y] heeft als verweer gevoerd dat hij niet aansprakelijk is jegens Aruba Bank voor het verschuldigde omdat de lening oorspronkelijk door [X] werd aangegaan. Het verweer van [Y] faalt. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de geldleningovereenkomst door zowel [X] als [Y] is aangegaan. Tevens wordt [Y] in de overeenkomst genoemd als “Borrower”. [Y] is dus één van de contractspartijen bij die overeenkomst. Dat partijen zijn gescheiden doet hier niet af, nu art. 1:102 Burgerlijk Wetboek van Aruba bepaalt dat na ontbinding van de gemeenschap ieder van de echtgenoten voor het geheel aansprakelijk blijft voor de gemeenschapsschulden waarvoor hij voordien aansprakelijk was. Dat in de onderlinge verhouding tussen [Y] en [X] een andere verdeling kan worden afgesproken, kan aan Aruba Bank niet worden tegengeworpen. 4.3 De vordering is dan ook toewijsbaar met dien verstande dat de buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen conform het nieuwe procesreglement (naar rato van 1,5 punt van het liquidatietarief 5). 4.4 Als de in het ongelijk te stellen partij dient [gedaagden] veroordeeld te worden in de proceskosten aan de zijde van Aruba bank gevallen, welke kosten worden begroot op Afl. 750,- aan griffierechten, Afl. 393,30 aan explootkosten en Afl. 2.500 aan gemachtigdensalaris (2 punten bij tarief 5). 5DE UITSPRAAK De rechter in dit gerecht: veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling aan Aruba Bank van een bedrag van Afl. 46.692,61, te vermeerderen met de overeengekomen rente ad 15% per jaar vanaf 19 augustus 2016 tot de dag der algehele voldoening en te vermeerderen met Afl. 1.875,- aan buitengerechtelijke incassokosten; veroordeelt [X] tot betaling aan Aruba Bank van een bedrag van Afl. 44,13, te vermeerderen met de overeengekomen rente ad 18% per jaar vanaf 19 augustus 2016 tot de dag der algehele voldoening; veroordeelt [gedaagden] in de kosten van de procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van Aruba Bank worden begroot op Afl. 750,- aan griffierecht, en Afl. 2.500,- aan salaris van de gemachtigde, en Afl. 393,30 aan explootkosten; verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. J. Sap rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 10 mei 2017 in aanwezigheid van de griffier.