Beschikking van 16 mei 2017 behorend bij EJ nr. 74 van 2017 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA BESCHIKKING in de alimentatiezaak tussen [naam vader] , wonende in Aruba, VERZOEKER, hierna: de vader, procederend in persoon, en [naam moeder], wonende in Aruba, VERWEERSTER, hierna te noemen de moeder, gemachtigde: de advocaat mr. N.S. Gravenstijn. 1DE PROCEDURE De procedure blijkt uit: het verzoekschrift, ingediend op 16 januari 2017; de stukken zijdens de man, ingediend op 1 maart 2017; de stukken zijdens de vrouw, ingediend op 3 maart 2017; het verweerschrift, ingediend op 6 maart 2017; de griffiersaantekeningen van de mondelinge behandeling van 4 april 2017, waaruit blijkt dat zijn verschenen de vader in persoon en de moeder in persoon bijgestaan door haar gemachtigde. De uitspraak is bepaald op heden. 2DE FEITEN 2.1 De thans nog minderjarige [naam minderjarige] (hierna: de minderjarige) is op [geboortedatum] in Aruba geboren uit het huwelijk tussen de vader en de moeder. 2.2 Bij beschikking van dit gerecht van 9 oktober 2012 (EJ-982/2012), is bepaald dat de vader met Afl. 580,- per maand dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige. 3DE BEOORDELING 3.1 Het verzoek strekt tot wijziging van bovengenoemde beschikking van 9 oktober 2012 in die zin dat het door de vader te betalen bedrag aan kinderalimentatie zal worden verlaagd tot nihil. Daartoe wordt aangevoerd dat zijn inkomen is sterk gedaald. 3.2 Het verzoek is gebaseerd op artikel 1:401 van het Burgerlijk Wetboek van Aruba (BW). Ingevolge die bepaling kan een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud, bij latere uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen of indien zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord, doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. 3.3 Bij de beoordeling stelt het gerecht voorop dat ouders verplicht zijn te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Dit geschiedt naar draagkracht. Uitgangspunt is dat het bij de bepaling van de draagkracht van een onderhoudsplichtige niet alleen aankomt op het inkomen dat hij heeft, maar ook op het inkomen dat hij geacht kan worden redelijkerwijs in de naaste toekomst te verwerven. Vanwege de onderhoudsplicht jegens de kinderen dient de onderhoudsplichtige zich voorts te onthouden van gedragingen die er toe leiden dat hij zijn alimentatieverplichtingen niet meer kan nakomen. De onderhoudsplichtige dient dan ook de belangen van de kinderen in acht te nemen wanneer hij keuzes maakt die zijn draagkracht negatief kunnen beïnvloeden en derhalve tot gevolg kunnen hebben dat hij niet meer (volledig) aan zijn alimentatieverplichtingen kan voldoen. 3.4 De vader voert aan dat sprake is van een wijziging van omstandigheden waardoor de beschikking van 9 oktober 2012 niet in stand kan blijven. Daartoe heeft de vader aangevoerd dat zijn inkomen aanzienlijk is gedaald ten opzichte van het inkomen waarmee het gerecht in 2012 bij de vaststelling van de kinderalimentatie rekening heeft gehouden. De vader stelt dat hij gemiddeld Afl. 3.500,- per maand verdiend aan inkomen. Voorts stelt hij dat zijn maandelijkse lasten Afl. 5.410,- bedragen. De moeder voert verweer tegen het verzoek van de vader. 3.5 Bij de vaststelling van de draagkracht van de vader gaat het gerecht ervan uit dat hij een bedrag van minimaal Afl. 1.400,- per maand nodig heeft om in zijn eigen bestaan te voorzien. In dit bedrag zitten begrepen de redelijke kosten van elektriciteit, van water, van telefoonaansluiting en van autogebruik, zodat met de door de vader opgevoerde daadwerkelijke kosten bij de vaststelling van de draagkracht niet afzonderlijk rekening zal worden gehouden. Het gerecht zal verder rekening houden met de posten “hypotheek” ad Afl. 1.467,-, en “alimentatie [naam kind]” ad Afl. 250,- nu de noodzaak van deze kosten voldoende aannemelijk is gemaakt. De door de vader opgevoerde aflossing op een schuld aan “3 credit cards” ad Afl. 800,- laat het gerecht buiten beschouwing, nu de vader onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waar deze schulden op zien. De aflossing op deze schulden mag naar het oordeel van het gerecht niet prevaleren boven een te betalen bijdrage in de behoefte van de minderjarige dochter. De post “miscellaneous” ad Afl. 400,- zal ook buiten beschouwing worden gelaten, nu deze post gemotiveerd is betwist en de vader deze niet met stukken heeft onderbouwd. De overige (niet betwiste) opgevoerde lasten, waaronder ook boodschappen, wordt de vader geacht te betalen uit voornoemd forfaitair in aanmerking te nemen bedrag van Afl. 1.400,-. 3.6 De totale in aanmerking te nemen (noodzakelijke) vaste lasten van de vader bedragen, gelet op het vorenstaande, totaal afgerond Afl. 3.117,-. 3.7 Uit het vorenstaande volgt dat de vader maandelijks een bedrag overhoudt van (Afl. 3.500,- - Afl. 3.117,- =) ca. Afl. 383,-, waarmee hij aan zijn verplichting met betrekking tot het voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding dient te voldoen. 3.8 Het gerecht merkt het volgende op. Het gerecht acht het onredelijk dat de vader de beschikbare financiële ruimte heeft voor zijn nieuwe baby en geen financiële ruimte kan verdelen over zijn andere minderjarige dochter. Het gerecht is van oordeel dat de vader voor alle kinderen voor wie hij onderhoudsplichtig is op gelijke wijze dient bij te dragen. 3.9 Gelet op de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige dochter enerzijds en de draagkracht van de ouders anderzijds, is het gerecht van oordeel dat de vader in staat moet worden geacht om met een bedrag van Afl. 250,- per maand bij te dragen ten behoeve van de minderjarige dochter. 4DE BESLISSING Het gerecht: wijzigt de beschikking van dit gerecht van 9 oktober 2012 (EJ-74/17) in dier voege dat de bijdrage van de vader [naam vader] in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [naam minderjarige], geboren op [geboortedatum] in Aruba, met ingang van 1 januari 2017 wordt bepaald op Afl. 250,- per maand, verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad, wijst af het anders of meer verzochte, Aldus gegeven door mr. W.J. Noordhuizen, rechter in dit gerecht, en in het openbaar uitgesproken ter zitting van dinsdag 16 mei 2017 in aanwezigheid van de griffier.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.