Vonnis van 24 mei 2017 Behorend bij A.R. 3142 van 2010 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA VONNIS in de zaak van: de naamloze vennootschap AMERICAN CORPORATION N.V., gevestigd te Aruba, eiseres, gemachtigde: de advocaat mr. A. de Bie, tegen: de naamloze vennootschap ARUBA BANK N.V., gevestigd te Aruba, gedaagde, gemachtigde: de advocaat mr. J.P. Sjiem Fat. 1DE VERDERE PROCEDURE Voor het eerdere verloop van de procedure wordt verwezen naar het tussenvonnis van 17 februari 2016. De bij dat vonnis benoemde deskundigen hebben bij brief van 25 november 2016 advies uitgebracht. Hierna hebben partijen conclusies na deskundigenbericht genomen. Tenslotte heeft American een akte uitlating producties genomen. Het vonnis werd bepaald op heden. 2DE SAMENVATTING VAN HET DESKUNDIGENRAPPORT EN VAN DE REACTIES VAN PARTIJEN Samenvatting deskundigenrapport 2.1 De deskundigen hebben de totale schade die Ritco, de rechtsvoorgangster van American, heeft geleden als gevolg van onrechtmatig handelen van Arubabank begroot op Afl. 5.274.279,--. In dit bedrag is rekening gehouden met de wettelijke rente tot 1 november 2016 en tevens met de brutering daarvan voor de winstbelasting. 2.2 De deskundigen zijn uitgegaan van een vergelijking van de vermogenspositie waarin Ritco uiteindelijk feitelijk is komen te verkeren en de vermogenspositie waarin Ritco naar alle waarschijnlijkheid zou hebben verkeerd, indien zij slechts over de ‘korte’ zesmaandsperiode 1 oktober 2002 tot en met eind maart 2003 (en dus niet over de door onrechtmatig toedoen van Arubabank langere periode vanaf 1 juni 2002 tot en met eind oktober 2003, de ‘lange’ periode) geen bankrekening zou hebben gehad. De deskundigen geven aan zo veel mogelijk te zijn uitgegaan van geobjectiveerde inschattingen, te weten (samengevat weergegeven): - de werkelijke door Ritco gerealiseerde gemiddelde groei in de vijf maanden voorafgaand aan juni 2002, gerelateerd aan de omzet in dezelfde kalendermaand als een jaar eerder; - het werkelijke omzetverloop in het kalenderjaar 2001; - de ontwikkeling in de markt, zoals blijkt uit gegevens van de Centrale Bank van Aruba, specifiek rekening houdend met de geldstromen naar Colombia; - het historische kostenniveau van Ritco. 2.3 De deskundigen concluderen dat Ritco aan het einde van de “overbruggingsperiode” van zes maanden (de ‘korte’ periode van oktober 2002 tot en met maart 2003), de periode dat Ritco sowieso niet over een bankrekening had kunnen beschikken, een zodanige vermogens- en liquiditeitspositie zou hebben gehad dat een herstart van haar bedrijf mogelijk zou zijn geweest. De deskundigen geven aan dat volledig herstel van haar oude marktaandeel niet mogelijk zou zijn geweest gezien het toegenomen aantal geldtransactiekantoren, gemeten in het aantal locaties. Men houdt evenwel ook rekening met de mate waarin Ritco eerder in staat was een bovengemiddeld marktaandeel te realiseren. Tevens schat men de invloed in op de markt van haar herstart en houdt men rekening met de sterke Colombiaanse partner van Ritco. De deskundigen beargumenteren dat het volledige verlies van marktpositie en klanten na de ‘korte’ periode van zes maanden een succesvolle herstart met behoud van marktaandeel niet in de weg had hoeven staan. De deskundigen specificeren daarbij de marktomstandigheden die hen tot dat oordeel brengen. 2.4 Tenslotte komen de deskundigen tot de conclusie dat aan het einde van de ‘lange’ periode (dus in tegenstelling tot de situatie aan het einde van de ‘korte’ zesmaandsperiode) het eigen vermogen van Ritco nagenoeg nihil was en dat de trend negatief was. Bij continuatie zou het eigen vermogen dus negatief worden, hetgeen volgens de deskundigen geen basis vormt voor zelfstandige exploitatie van een geldtransactiebedrijf. Voorts dreigde het niveau van de liquiditeit te dalen tot onder het niveau van het negatieve werkkapitaal, waardoor Ritco in een positie zou komen te verkeren waarin zij haar korte termijn verplichtingen niet langer zou kunnen voldoen. Dat brengt de deskundigen tot de conclusie dat de overdracht van de bedrijfsactiviteiten van Ritco uit bedrijfseconomisch oogpunt noodzakelijk was. Samenvatting reactie American Corporation 2.5 American heeft in haar reactie op het deskundigenbericht aangevoerd dat de deskundigen uitgaan van een te laag marktaandeel dat Ritco na de herstart had kunnen bereiken. American stelt na herstart (voorheen, met 16% aandeel in alle wisselkantoren, realiseerde zij 30% marktaandeel; na herstart volgens de deskundigen met 17,65% van de kantoren) ook weer zo’n 30% marktaandeel te kunnen hebben realiseren, in plaats van de 16,67% waar de deskundigen van uit gaan. 2.6 Tevens bekritiseert American de door deskundigen gehanteerde vermogenskostenvoet. Deze is in haar ogen te hoog in vergelijking met de vergelijkbare concurrent Western Union. American stelt dat de op Ritco toepasbare vermogenskostenvoet niet op 22,83% gesteld moet worden, maar op 17,49%. Dit leidt tot een hogere schade van American, te weten Afl. 326.000,--. Samenvatting reactie Arubabank 2.7 Arubabank betwist de juistheid van het deskundigenadvies. - Arubabank stelt dat de schade in redelijkheid niet aan haar kan worden toegerekend. Zij stelt dat er geen causaal verband bestaat tussen de schade ná 31 december 2004 en het onrechtmatige handelen van de bank; - Arubabank meent dat Ritco – ook op basis van de door de deskundigen gehanteerde uitgangspunten - na 31 oktober 2003 over voldoende liquide middelen beschikte en voldoende inkomsten had kunnen genereren om haar activiteiten voort te zetten, ook in het scenario van de ‘lange’ periode van bedrijfsstaking; - De bank stelt dat Ritco in 2003 voldeed aan de eisen van de Centrale Bank voor de uitoefening van het geldtransactiebedrijf. Ritco had ter voldoening aan de solvabiliteitseis een bankgarantie van Arubabank verkregen ter grootte van Afl. 50.000,-- en had daar zelf de fondsen voor ter beschikking gesteld; - Ritco heeft zelf aangegeven dat de bedrijfssluiting vooral samen hing met de als gevolg van de invoering van de Landsverordening geldtransactiebedrijven gestegen compliancekosten en de door de Centrale Bank geëiste voorziening; - een van Ritco’s directeuren of principalen dreigde niet door de integriteitstoets van de Centrale Bank te komen; - de deskundigen houden onvoldoende rekening met de sterk toegenomen concurrentie in de sector in de jaren 2003 tot en met 2005 en het grote aantal sluitingen van geldwisselkantoren in deze periode; - ten onrechte hebben de deskundigen in hun berekening de wettelijke rente gebruteerd. De wettelijke rente is de wettelijk verschuldigde schadevergoeding voor een te late betaling van een geldsom. Het is een abstracte schadevergoeding, waarbij brutering geen pas geeft. 3DE VERDERE BEOORDELING 3.1 Aangezien het verweer zijdens Arubabank het verst strekkend is, zal het gerecht dit eerst behandelen. Het gerecht constateert dat het deskundigenrapport de vragen beantwoordt die aan de deskundigen waren gesteld. Zo beantwoorden de deskundigen gemotiveerd en in bevestigende zin de vraag uit rechtsoverweging 3.14 uit het tussenvonnis van 28 november 2012. De duur van de bedrijfsstaking over de ‘lange’ periode 1 juni 2002 tot en met eind oktober 2003 blijkt inderdaad de kansen op een succesvolle herstart van Ritco op prohibitieve wijze te hebben beïnvloed. Ritco’s (als gevolg van onrechtmatig handelen van de bank) ‘weggesmolten’ vermogen en de slechte liquiditeitspositie houden immers rechtstreeks verband met de langdurige bedrijfsstaking met doorlopende kosten en vormen wat betreft de mate waarin dat is gebeurd eveneens het antwoord op de vraag uit rechtsoverweging 3.15 waarom een zelfstandige voortzetting van de onderneming bedrijfseconomisch niet meer mogelijk was. 3.2 De deskundigen hebben hun bevinding over een mogelijke commercieel succesvolle doorstart na de ‘korte’ periode beargumenteerd aan de hand van niet of onvoldoende concreet betwiste bedrijfseconomische en macro-economische gegevens. Daarmee is naar het oordeel van het gerecht ook in rechte komen vast te staan dat er sprake is van schade als gevolg van het onrechtmatige handelen van Arubabank. 3.3 De kanttekeningen die Arubabank stelt ten aanzien van het causaal verband tussen haar onrechtmatig handelen en de (omvang van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.