GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA B E S L I S S I N G op de vordering van de officier van justitie ex artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (oud) en artikel 1:77, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht ten aanzien van de veroordeelde: [veroordeelde], geboren op [geboortedatum] 1966 in [geboorteplaats], wonende in [woonplaats], [adres]. 1Onderzoek van de zaak 1.1 De vordering is behandeld ter openbare terechtzitting van 19 mei en 1 september
(1)jaar zal worden toegepast zonder vermindering van de betalingsverplichting. 3.3 Bij zijn ‘conclusie van repliek’ heeft de officier van justitie de berekening van het bedrag van het geschatte voordeel aangepast, zodat thans wordt gevorderd dat de veroordeelde Afl. 450.406,25 als maximumbedrag van het geschatte voordeel aan het Land Aruba betaalt. 4De verdediging 4.1 De verdediging heeft primair een preliminair verweer gevoerd, inhoudende dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering. Daartoe is onder meer - samengevat - aangevoerd: a. dat de redelijke termijn waarbinnen de onderhavige zaak had dienen te worden berecht, te rekenen vanaf 24 september 2007 - de datum waarop het onderzoek ter terechtzitting in de onderhavige zaak zou zijn aangevangen -, ruim is overschreden, hetgeen een schending oplevert van artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dan wel b. dat de ontnemingsvordering is verjaard, nu de ontnemingsprocedure - die als een civiele procedure tot onverschuldigde betaling aan de veroordeelde dan wel betaling van schadevergoeding aan het Land Aruba kan worden gekarakteriseerd - niet binnen de (civiele) verjaringstermijn van vijf jaren aanhangig is gemaakt, dan wel c. dat de ontnemingsvordering nimmer aanhangig is gemaakt, nu het proces-verbaal van de in deze procedure gehouden terechtzitting d.d. 15 september 2010 aan het ontnemingsdossier ontbreekt, hetgeen met zich brengt dat die zitting nietig is en als nimmer gehouden dient te worden geacht; d. dat de verdediging tot aan de zitting van 10 november 2016 niet de beschikking heeft gehad over het volledige dossier. De stukken zijn zeer laat in het geding en onvolledig aan de verdediging verstrekt, waardoor er sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde door het openbaar ministerie, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de veroordeelde op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. Derhalve dient de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie te volgen. 4.2 Subsidiair heeft de verdediging betoogd dat de ontnemingsvordering dient te worden afgewezen. Daartoe heeft de verdediging - samengevat - aangevoerd: a. dat de gebezigde berekenmethode niet kan leiden tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, nu vermelde methode rechtstreeks gestoeld is op de van het voor bewijs (in de strafzaak) uitgesloten OVC-gesprekken, dan wel b. dat vermelde methode gebaseerd is op aannames - voortvloeiende uit de interpretatie van uitgewerkte afgeluisterde telefoongesprekken - die onvoldoende ondersteuning vinden in het ontnemingsdossier. De verdediging wenst, in het geval het gerecht van oordeel is dat bij de berekenmethode de OVC-gesprekken niet zijn gebezigd, de afgeluisterde gesprekken te beluisteren, waaruit de gegevens zoals in de berekening meegenomen blijken. 4.3 Meer subsidiair heeft de verdediging onder meer betoogd dat de gebezigde berekenmethode niet tot ontneming kan leiden. Volgens de verdediging heeft de officier van justitie (bij requisitoir) gesteld dat er drie geldleveringen van de veroordeelde bewijsbaar zijn tot een bedrag van $ 100.000,-, waarvan er één $ 36.000,- bedroeg en via het deeldossier “[naam deeldossier]” kan worden bewezen. Het is voor de verdediging echter niet inzichtelijk hoe het Openbaar Ministerie tot het ontbrekende bedrag van $.64.000,- komt, nu er voor dit bedrag geen ondersteuning in het dossier is te vinden. De verdediging is derhalve van mening dat vermelde berekening op aannames steunt die elke feitelijke grondslag ontberen. 4.4 Meest subsidiair betoogt de verdediging - samengevat - dat het door de veroordeelde genoten wederrechtelijk voordeel slechts gebaseerd kan worden op de door het Hof in de strafzaak van de veroordeelde vastgestelde 37 kilo cocaïne die de veroordeelde verhandelde. Volgens de verdediging kan het door de medeveroordeelde [mede-veroordeelde] omgezette kilo’s cocaïne niet aan de veroordeelde worden toegerekend, omdat de veroordeelde, naast [medeveroordeelde], tevens van andere leveranciers drugs zou hebben ontvangen. 4.5 Ter terechtzitting van 5 mei 2017 heeft de verdediging ten slotte een verzoek gedaan tot het horen van een aantal getuigen. Volgens de verdediging zouden die getuigen onder meer kunnen verklaren over de inhoud van de afgeluisterde gesprekken en OVC-gesprekken, alsmede over de omstandigheid dat de veroordeelde ook met anderen dan [medeveroordeelde] zaken deed. 5Beoordeling Ontvankelijkheid van de officier van justitie 5.1 Volgens de Hoge Raad leidt de schending van artikel 6, eerste lid, EVRM, op grond van overschrijding van de redelijke termijn, niet tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, ook niet in uitzonderlijke gevallen. In de regel wordt die inbreuk gecompenseerd door vermindering van het vastgestelde ontnemingsbedrag. Voor Aruba geldt in beginsel - naar analogie van voormeld arrest - dat een ontnemings-zaak in eerste aanleg binnen twee jaren met een einduitspraak dient te zijn afgerond, te rekenen vanaf het moment dat vanwege het Land Aruba jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt. Voor de aanvang van die redelijke termijn zijn, volgens eerder aangehaald arrest, verschillende momenten die de feitenrechter als aanvangsdatum kan aannemen, zoals: de aankondiging van de officier van justitie, uiterlijk bij gelegenheid van zijn requisitoir in de strafzaak in eerste aanleg, dat hij voornemens is een ontnemingsvordering aanhanging te maken, of het moment waarop de betrokkene ervan op de hoogte is geraakt dat tegen hem een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld, of het moment waarop een dergelijke vordering aan hem wordt betekend, of het moment waarop een gericht conservatoir beslag op vermogensbestanddelen wordt gelegd op grond van artikel 119a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Daarnaast is de redelijkheid van de duur van de termijn waarbinnen een ontnemingszaak dient te worden berecht, afhankelijk van de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop, en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Ook dient rekening te worden gehouden met de door de wetgever gecreëerde mogelijkheid voor het openbaar ministerie om een ontnemingsvordering uiterlijk binnen twee jaren na de uitspraak in eerste aanleg aanhangig te maken. 5.2 Uit de zich in het dossier bevindende Rapportage inzake Strafrechtelijk Financieel Onderzoek (SFO) volgt dat op 24 september 2007 gericht conservatoir beslag is gelegd op de vermogensbestanddelen van de veroodeelde. Het gerecht is dan ook in beginsel van oordeel dat 24 september 2007 als datum voor de aanvang van de redelijke termijn kan worden aangenomen, nu het gericht leggen van het conservatoir beslag op veroordeeldes vermogensbestanddelen een voor hem zo evidente handeling was dat hij in alle redelijkheid kon verwachten dat het Land Aruba, vertegenwoordigd door het openbaar ministerie, tegen hem een ontnemingsprocedure aanhangig zou maken. 5.3 Ingevolge vermeld arrest van de Hoge Raad diende de onderhavige zaak binnen twee jaren na de aanvang van de redelijke termijn te zijn afgerond, derhalve uiterlijk 24 september
- 5.4 Het gerecht stelt vast, gelet op de uitgebreidheid van het onderzoek, dat de onderhavige zaak complex was en dat dit voor de nodige vertraging in het afsluiten van de rapportage (op 23 juli 2009) heeft gezorgd. Zo komt uit de processtukken naar voren dat het strafrechtelijke en daarmee het financiële onderzoek zich over een aanzienlijke periode heeft uitgestrekt, namelijk vanaf mei 2005 tot en met 24 september
- Tijdens het opsporingsonderzoek werd informatie verkregen over de grootschalige verdovende middelenoperatie (invoer, doorvoer, distributie, doorverkoop, uitvoer naar Europa en de Verenigde Staten van Amerika) waaraan, onder meer, de veroordeelde had deelgenomen. Ter vergaring van die informatie werd mede gebruik gemaakt van een groot aantal rechtshulpverzoeken, wier uitvoering door de desbetreffende buitenlandse autoriteiten ook de nodige tijd in beslag heeft genomen. De grootschaligheid van het (strafrechtelijk) onderzoek en het grensoverschrijdende karakter daarvan zijn omstandigheden geweest die invloed hebben uitgeoefend op het onderzoek ter vaststelling van de vermogensbestanddelen van de veroordeelde. In het licht van het voorgaande, is het gerecht van oordeel dat de redelijkheid van de duur van de termijn waarbinnen de onderhavige ontnemingszaak had dienen te worden behandeld, zodanig is beïnvloed, dat redelijkerwijs de datum van 24 september 2009 niet kan worden aangehouden als zijnde de datum waarop de zaak uiterlijk had dienen te zijn afgerond. 5.5 De veroordeelde is bij vonnis van 10 december 2008 door het Hof veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaren. Tegen dit vonnis heeft hij op 16 december 2008 cassatieberoep ingesteld, welk beroep bij arrest van de Hoge Raad van 26 januari 2010 werd verworpen. Voormeld hofvonnis is op diezelfde datum onherroepelijk geworden. Per 26 januari 2010 is het strafproces tegen de veroordeelde beëindigd. Het gerecht zal deze datum aannemen als de datum waarop de onderhavige zaak uiterlijk had dienen te zijn afgerond. De ontnemingszaak had derhalve uiterlijk op 26 januari 2010 afgerond dienen te zijn. Aldus is de redelijke termijn, te rekenen vanaf 26 januari 2010, met zeven jaren, vijf maanden en vier dagen overschreden. Het gerecht is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat deze aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn een schending van artikel 6, eerste lid, EVRM oplevert. 5.6 In navolging van voormeld arrest van de Hoge Raad dient, zodra vast is komen te staan dat er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, compensatie plaats te vinden in de vorm van matiging van de op te leggen betalingsverplichting. Voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de ontnemingsvordering is, ingevolge de Hoge Raad, derhalve geen plaats. In het licht van het voorgaande zal het gerecht de overige standpunten van de verdediging met betrekking tot dit onderwerp buiten bespreking laten. Het verweer van de raadsman faalt in zoverre. 5.7 Het standpunt van de verdediging dat de ontnemingsvordering is verjaard, deelt het gerecht niet. Ontnemingsvorderingen moeten zijn ingediend binnen de wettelijke indieningstermijn. Termijnoverschrijdingen daarbuiten vallen onder het leerstuk van de redelijke termijn. De uitspraak van het hof Den Haag waarnaar de verdediging verwijst heeft betrekking op de situatie die zich hier niet voordoet, namelijk dat het onderliggende strafbare feit is verjaard. Dit oordeel is door de Hoge Raad overigens niet overgenomen. Daaruit blijkt dat ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter zake ‘soortgelijke feiten’ als bedoeld in art. 36e lid 2 Sr (de Nederlandse tegenhanger van de artikelen 38e lid 2 Sr (oud) en 1:77 lid 2 Sr) ook mogelijk is indien vervolging ter zake van die soortgelijke of andere feiten wegens verjaring niet meer mogelijk is. 5.8 Aan de omstandigheid dat het proces-verbaal van de in deze procedure gehouden terechtzitting d.d. 15 september 2010 ontbreekt, verbindt het gerecht niet de conclusie die de verdediging daaraan verbindt. De officier van justitie dient tijdens de behandeling van de strafzaak in eerste aanleg ter zitting te laten weten of hij voornemens is een ontnemingsvordering aanhangig te maken, voor zover dit niet eerder aan de verdachte is gebleken. Deze mededelingsplicht is bedoeld als waarborg voor de belangen van de verdachte met het oog op de rechtszekerheid. Verdachte mag niet pas twee jaar na de einduitspraak plotseling worden geconfronteerd met een ontnemingsvordering. De enkele omstandigheid dat niet aannemelijk is geworden dat de betrokkene tijdig met het voornemen van de officier van justitie bekend is geworden leidt bovendien niet vanzelf tot de niet-ontvankelijkverklaring van de officier in zijn ontnemingsvordering. Bij de beslissing op de ontnemingsvordering zal de ontnemingsrechter dienen na te gaan in welke mate de betrokkene door bedoeld verzuim in zijn belangen is geschaad en zal hij mede aan de hand daarvan dienen te bepalen of dit verzuim dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid dan wel tot bijvoorbeeld een vermindering van de aan de betrokkene op te leggen betalingsverplichting. In dit geval is veroordeelde niet in een rechtens te respecteren belang geschaad, nu de officier van justitie ter zitting d.d. 2 juni 2008 de ontnemingsvordering heeft aangezegd, de vordering d.d. 16 april 2010 met oproeping voor de zitting van 15 september 2010 zich in het dossier bevindt en ook uit de communicatie met de toenmalige verdediging blijkt dat veroordeelde en zijn raadsvrouw op de hoogte waren van de indiening van de ontnemingsvordering en de inhoud daarvan. Ter zake heeft noch voor de verdediging noch voor veroordeelde enige onduidelijkheid bestaan. Tenslotte merkt het gerecht op dat artikel 503a van het Wetboek van Strafvordering voorschrijft dat de vordering wordt betekend. Dat dit is gebeurd, is door de verdediging niet betwist. De zaak is aanhangig gemaakt door de betekening en niet, zoals de verdediging veronderstelt, door de (aanvang van de) behandeling ter zitting. Daarmee is de vordering in dit geval derhalve rechtsgeldig ingesteld, ook al werd van de zitting van 15 september 2010 geen proces-verbaal opgemaakt. Dit laatste is voor het instellen van de ontnemingsvordering niet relevant. 5.9 De verdediging stelt zich voorts op het standpunt dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu het niet dan wel niet-tijdig de beschikking heeft gehad over het volledige dossier noch over het originele dossier. Het gerecht verwerpt dit standpunt. Zoals blijkt uit het proces-verbaal van de zitting van 10 november 2016 heeft de officier van justitie het dossier - conform de opdracht van de rechter - op DVD’s verstrekt aan de verdediging. Door een intern misverstand tussen de Arubaanse advocaten en die in Nederland, is aan de laatste door de Arubaanse advocaten slechts een deel verstrekt. Dit niet aan het gerecht of openbaar ministerie te wijten misverstand kwam ter zitting naar voren en is reden geweest om met instemming van de verdediging de zaak in beginsel verder schriftelijk af te procederen. Ook wordt in dat proces-verbaal gemeld dat de rechter de DVD’s steekproefsgewijs heeft vergeleken met het papieren dossier dat zich op de griffie bevindt en dat ook aan de verdediging ter beschikking heeft gestaan. In overweging 2.4 van het tussenvonnis d.d. 22 september 2016 is daarop eveneens ingegaan en is de verdediging gewezen op de mogelijkheid zelf ook een dergelijke controle uit te voeren. Tenslotte is in het tussenvonnis overwogen dat bepaalde stukken in het ongerede zijn geraakt. Het gerecht beschikt daarover niet, noch de verdediging of het openbaar ministerie. Voor het aannemen van enige tekortkoming zijdens het openbaar ministerie bestaan geen aanwijzingen. Bijgevolg is er geen reden het openbaar ministerie ter zake niet-ontvankelijk te verklaren. Omvang van het wederrechtelijk voordeel 5.10 Het gerecht stelt voorop dat bij de vaststelling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel door de veroordeelde, op grond van de strafbare feiten waarvoor hij is veroordeeld, dient te worden uitgegaan van de feiten, zoals die zijn bewezenverklaard. Dit laat evenwel onverlet de bevoegdheid van het gerecht om, oordelend over de ontnemingsvordering, zich een zelfstandig oordeel te vormen met betrekking tot de verweren die betrekking hebben op de vaststelling van het te ontnemen geschatte bedrag. Vast staat dat het hof bij vonnis van 10 december 2008 - onder meer - de rechtstreeks door middel van OVC verkregen onderzoeksresultaten (behelzende de periode van 24 september 2006 tot 26 september 2007) van het bewijs heeft uitgesloten. Uit de Rapportage inzake Strafrechtelijk Financieel Onderzoek (SFO) komt naar voren dat de onderzoekgegevens die door de rapporteur zijn betrokken bij het berekenen van het wederrechtelijk verkregen voordeel rechtstreeks uit verklaringen van de veroordeelde, zijn echtgenote, de medeveroordeelde [medeveroordeelde] en andere medeverdachten in de [naam zaak]-zaak zijn verkregen. Voorts zijn gegevens verkregen uit onderzoek naar documenten die tijdens de doorzoeking van veroordeeldes woning in beslag zijn genomen, alsmede naar documenten die door instellingen en (overheids)diensten op basis van een daartoe strekkende machtiging van de rechter-commissaris zijn uitgeleverd. Daarnaast zijn ook gegevens verkregen uit afgeluisterde telefonische gesprekken, die in combinatie met de overige bewijsmiddelen, een beeld geven van de omvang van de vermogensbestanddelen van de veroordeelde. Het gerecht komt op grond van het vorenstaande tot de conclusie dat voor het berekenen van het wederrechtelijk verkregen voordeel geen gebruik is gemaakt van gesprekken die middels OVC zijn verkregen. De gebezigde gesprekken vinden ondersteuning in de overige voorhanden zijnde bewijsmiddelen. Het subsidiair gevoerde verweer treft derhalve geen doel. Verzoeken tot het beluisteren van afgeluisterde gesprekken en het horen van getuigen 5.11 Voorts is door de verdediging verzocht om, in het geval het gerecht van oordeel is dat de OVC-gesprekken niet voor het berekenen van het wederrechtelijk voordeel zijn gebezigd, die afgeluisterde gesprekken te beluisteren. Tevens is verzocht om een aantal getuigen te horen met betrekking tot de inhoud van de afgeluisterde en OVC-gesprekken, alsmede ter zake van de omstandigheid dat de veroordeelde ook van anderen dan de medeveroordeelde [medeveroordeelde] verdovende middelen afnam. Het gerecht wijst deze verzoeken af. Het karakter van de ontnemingsprocedure is anders dan die van de strafprocedure. In de strafprocedure kan het bewijs dat de verdachte een tenlastegelegd feit heeft begaan, ingevolge artikel 381 Sv, slechts door de rechter worden aangenomen indien hij daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting de overtuiging heeft bekomen op basis van een wettig bewijsminimum. Artikel 503f Sv schrijft voor dat de rechter naar aanleiding van de vordering en van het onderzoek ter terechtzitting dient te beraadslagen of de ontnemingsmaatregel moet worden opgelegd en, zo ja, op welk bedrag de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel is te schatten. Dit brengt met zich dat de rechter gebonden is aan de inhoud van de voorhanden zijnde wettige bewijsmiddelen. Voor het verrichten van nader onderzoek, in de vorm van het beluisteren van afgeluisterde gesprekken en het horen van getuigen om de bewezenverklaring alsnog te evalueren, is in de ontnemingsprocedure in beginsel geen plaats. Voor de ontnemingsprocedure gelden andere procesrechtelijke regels dan voor de strafprocedure, waarbij tevens rekening kan worden gehouden met de proceshouding van betrokkene Veroordeelde heeft in deze procedure zelf geen inzicht gegeven in de aard en omvang van zijn legale en illegale inkomsten in de bewuste periode. Waarom het alsnog beluisteren van de uitgesloten OVC-gesprekken en het horen van getuigen daarover voor deze ontnemingsprocedure van belang is, heeft de verdediging onvoldoende concreet onderbouwd. Hetzelfde geldt voor het voorwaardelijk verzoek om de getuige [medeverdachte 1] te horen omtrent zijn redenen van wetenschap. Het hof heeft verklaringen van deze getuige als bewijs gebezigd en heeft deze dus in zoverre reeds als betrouwbaar aangemerkt. Er zijn geen steekhoudende argumenten aangevoerd waarom het noodzakelijk zou zijn deze getuige voor de ontneming te horen. Dat er sprake is van onzekerheid over de omvang van het genoten voordeel en dat dit dus geschat moet worden, is inherent aan de ontnemingsprocedure en aan het ontbreken van inzicht daarover van de zijde van veroordeelde en geeft op zichzelf geen noodzaak om getuigen te horen. 5.12 Bij het veroordelend Hofvonnis van 10 december 2008 is bewezen geacht dat de veroordeelde samen met de medeveroordeelde [medeveroordeelde] en anderen, gedurende de periode van 1 mei 2005 tot en met 24 september 2007, heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. Die deelneming bestond uit het invoeren, uitvoeren en afleveren van verdovende middelen, alsmede het aanwezig hebben van die verdovende middelen en het witwassen van geld. Voorts is bewezen geacht dat de veroordeelde gedurende de periode van 1 december 2005 tot en met 24 september 2007 samen met anderen verdovende middelen heeft ingevoerd, uitgevoerd en afgeleverd. Daarnaast is bewezen dat hij in de periodes van 1 mei 2005 tot en met 11 mei 2006 én van 12 mei 2006 tot en met 10 september 2007 geldbedragen heeft witgewassen, alsmede dat hij van 11 september 2007 tot en met 18 september 2007 alleen en met anderen geldbedragen heeft witgewassen. Uit de bewijsmiddelen heeft het gerecht afgeleid dat de inkomsten van de veroordeelde niet hoog waren, terwijl zijn uitgaven die inkomsten wel overtroffen. Zo heeft de veroordeelde verklaard ongeveer Afl. 15.000,- per jaar met de houthandel te hebben verdiend, maar hij is meermalen per vliegtuig naar Nederland (in business class), Spanje, Venezuela en Colombia gereisd en heeft in hotels verbleven. Ook heeft hij in de periode van mei 2005 tot en met september 2007 135 keer geld overgemaakt naar Colombia voor een totaalbedrag van Afl. 34.521,-, terwijl hij en zijn echtgenote in die periode - volgens gegevens van de belastingdienst - slechts Afl. 61.060,- bruto hebben opgegeven te hebben verdiend. Het openbaar ministerie heeft reeds ten laste van de veroordeelde - en zijn echtgenote, met wie hij in gemeenschap van goederen is gehuwd - conservatoir beslag gelegd op een perceel eigendomsgrond, die op naam staat van de echtgenote en een waarde heeft van Afl. 324.000,-. Tevens is ten laste van de veroordeelde conservatoir beslag gelegd op twee personenauto’s. 5.13 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de veroordeelde uit voormelde strafbare feiten wederrechtelijk voordeel heeft genoten, ook uit de samenwerking met [mede-veroordeelde]. Veroordeelde heeft, zoals gezegd, zelf geen inzicht verschaft in de werkelijke omvang van zijn illegale inkomsten, zodat deze op basis van de beschikbare bewijsmiddelen geschat zullen moeten worden. 6Berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel 6.1 Het gerecht volgt de officier van justitie en gaat uit van het door hem bij requisitoir berekende wederrechtelijk verkregen voordeel à Afl. 457.940, (mede) op basis van de daar genoemde getuigenverklaringen. Voorts zal het gerecht, met inachtneming van hetgeen het reeds in 5.5 ter zake van de aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn heeft overwogen, het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel met vijfentwintig procent (25%) matigen (in plaats van de door de officier voorgestelde 20%), zijnde Afl. 114.485,-. Op grond van het voorgaande is het gerecht van oordeel dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat op: Afl. 343.455,- Het gerecht hanteert bij de omrekening van dollars naar Arubaanse florin de officiële wisselkoers van 1,
- 6.2 De stelling van de verdediging weergegeven in 4.3 houdt geen stand, nu het gerecht uit de berekening van de officier van justitie concludeert dat het door de veroordeelde naar [medeverdachte 2] gebrachte bedrag van $100.000,- niet in de berekening van het te ontnemen wederrechtelijk voordeel is meegenomen. Het verweer faalt derhalve. 6.3 Voorts is het gerecht van oordeel dat niet is gebleken of anderszins aannemelijk is geworden dat veroordeeldes draagkracht zowel nu als in de toekomst niet toereikend zal zijn om aan zijn verplichting tot betaling van dit bedrag te voldoen. 6.4 Uit de eerder vermelde rapportage blijkt dat de veroordeelde, uit hoofde van een eerdere beslissing van het hof d.d. 5 juni 2007, reeds een verplichting opgelegd heeft gekregen tot betaling van een geldbedrag (Afl. 32.311,92) ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Niet is gebleken dat de veroordeelde aan deze eerdere verplichting heeft voldaan. Voor zover veroordeelde deze mocht hebben voldaan, dient deze te worden verrekend met na te melden te ontnemen bedrag in de onderhavige zaak. 6.5 Het gerecht zal de veroordeelde de verplichting opleggen tot betaling van Afl. 343.455,- aan het Land Aruba ter ontneming van het wederechtelijk verkregen voordeel. Bij niet volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag zal vervangende hechtenis van na te melden duur worden toegepast. 7Bewijsmiddelen 7.1 De overtuiging dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten is gegrond op de feiten en de omstandigheden, die in de wettige bewijsmiddelen zijn vervat. 7.2 De bewijsmiddelen zullen in geval van hoger beroep in een aan deze beslissing te hechten bijlage worden opgenomen. 8Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht (oud) en artikel 1:77, derde lid, juncto artikel 1:59 van het Wetboek van Strafrecht. 9Beslissing Het gerecht: stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op DRIEHONDERDDRIEËNVEERTIGDUIZENDVIERHONDERD-VIJFENVIJFTIG FLORIN (Afl. 343.455,-); legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van voormeld bedrag aan het Land Aruba ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel; bepaalt dat bij gebreke van volledige betaling of verhaal vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van ACHTTIEN
(18)MAANDEN; bepaalt dat de duur van de vervangende hechtenis niet wordt verminderd door het voldoen van slechts een gedeelte van het verschuldigde bedrag. Deze beslissing is gegeven door de rechter mr. P.A.H. Lemaire en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit gerecht op 30 juni 2016, in tegenwoordigheid van de griffier. Zie HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD
- Gerechtshof ’s-Gravenhage 27 april 2007 ECLI:NL:GHSGR:2007:BA
- Hoge Raad 11 mei 2010 ECLI:NL:HR:2010:BL7660; NJ 2010,
- Hoge Raad 9 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AK3574, NJ 2004/
- Zie aantekening 2d bij artikel 36e Tekst & Commentaar strafrecht. Requisitoir ter zitting van 2 juni
- HR 26 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE5591 Zie HR 2 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3424 Vergelijk HR 2 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3424 Zie ook aantekening 7f bij artikel 36e Tekst & Commentaar strafrecht.