Vonnis van 20 september 2017 Behorend bij K.G. no. 1565 van 2017 / AUA201701651 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA VONNIS in kort geding van:
(2)aan [Gedaagde] heeft gelegateerd het recht van vruchtgebruik over de gehele nalatenschap, met uitzondering van in de in het testament onder sub II. B vermelde contanten, zulks inclusief het recht van vertering. Het testament vermeldt voorts het volgende: “(…). Heden, dertig januari tweeduizendvijftien, verscheen voor mij, [naam waarnemend notaris], waarnemend-notaris (…) in Aruba (…) de heer [naam erflater] , (…) geboren te [geboorteplaats], [geboorteland], op twaalf februari negentienhonderd vierenvijftig, wonende te [perceelnummer] in [geboorteland], onder het maken van huwelijksvoorwaarden gehuwd met mevrouw [Gedaagde]; die verlangde bij uiterste wil over zijn nalatenschap te beschikken, aan mij, notaris, zijn uiterste wil zakelijk heeft opgegeven, welke ik overeenkomstig die opgave in duidelijke bewoordingen heb doen schrijven als volgt: (…). B. Ik legateer aan mijn voornoemde echtgenote, voor de onverdeelde helft (1/2), en aan mijn vier kinderen alsmede de dochter van mijn echtgenote, [minderjarige sub 5] (…) ieder voor een een/tiende onverdeeld aandeel (…) de contanten van mijn nalatenschap. (…).”. 3.4.1 Anders dan (door [Eisers] onderschreven) staat vermeld in het testament stelt [Gedaagde] dat zij in de gemeenschap van goederen was gehuwd met de erflater. Reeds uit die overigens niet verificatoir onderbouwde stelling volgt dat [Gedaagde] als executeur van de nalatenschap naar het voorlopig oordeel van het Gerecht een ontoelaatbaar persoonlijk belang heeft bij de vaststelling van de omvang daarvan. Daar komt het volgende nog bij. 3.4.2 Vast staat dat [Eiseres 1] in elk geval op grond van haar voormalig huwelijk met de erflater voor 50% gerechtigd is tot of eigenaar is van de in Aruba te [perceelnummer] gelegen woning, en dat - daarbij voorshands de juistheid aannemende van het in het testament vermelde dat [Gedaagde] buiten de gemeenschap van goederen was gehuwd met de erflater, nu de stelling van [Gedaagde] dat dit niet zo is onderbouwing mist en gesteld noch is gebleken dat (de verklaring van) de erflater op dit punt onbetrouwbaar is of dat hij [Gedaagde] met die verklaring heeft willen benadelen - de overige 50% van die woning deel uitmaakt van de nalatenschap, waartoe ingevolge het testament de vier kinderen en voornoemde stiefdochter van de erflater ieder voor een gelijk deel gerechtigd zijn. Naar het voorlopig oordeel van het Gerecht heeft [Gedaagde] krachtens het testament in elk geval het vruchtgebruik over dat overige deel van de woning. [Gedaagde] stelt in dat verband dat uit de als productie 8 bij het verzoekschrift overgelegde in een proces-verbaal van dit Gerecht neergelegde destijds tussen de erflater en [Eiseres 1] gesloten vaststellingsovereenkomst volgt dat [erflater] de economische rechten van de aan [Eiseres 1] in eigendom toebehorende helft van de woning heeft verkregen, zodat haar vruchtgebruik ook ziet op die rechten. Ook uit die door [Eisers] bestreden stelling volgt dat [Gedaagde] als executeur van de nalatenschap naar het verdere voorshandse oordeel van het Gerecht een ontoelaatbaar persoonlijk belang heeft bij de vaststelling van de omvang daarvan. Hier komt nog het volgende bij. 3.4.3 Ingevolge artikel 1036 BW moet een executeur als [Gedaagde] boedelbeschrijving doen opmaken van de goederen der nalatenschap in tegenwoordigheid van of na bij behoorlijk exploot gedane oproeping der erfgenamen die zich in Aruba bevinden. [Gedaagde] stelt dat zij aan die verplichting heeft gedaan door overlegging van de bij partijen genoegzaam bekende zogenoemde “akte boedelbeschrijving” van 8 februari
- Die door [Eisers] bestreden stelling neemt het Gerecht niet voor serieus. In het licht van de eigen woorden van [Gedaagde] dat sprake is van een ingewikkelde nalatenschap behelst die “boedelbeschrijving” nog geen anderhalf kantje A-
- Bovendien heeft die summierlijke beschrijving niet te gelden als een boedelbeschrijving in de zin van de wet. Krachtens artikel 671 Rv dient de van de nalatenschap op te maken boedelbeschrijving immers te geschieden bij notariële akte, nu is gesteld noch gebleken dat sprake is van de in dat artikel omschreven omstandigheid die met zich brengt dat die boedelbeschrijving bij onderhandse akte kan plaatsvinden. Bij dit alles komt dat [Eisers] niet of onvoldoende bestreden hebben gesteld dat de boedelnotaris alsmaar vraagt om informatie, terwijl [Gedaagde] die om voor haar moverende redenen alsmaar niet verstrekt. Reeds uit dit één en ander volgt naar het voorlopig oordeel van het Gerecht dat [Gedaagde] in (de uitvoering van) haar taak als executeur testamentair in de nalatenschap ontoelaatbaar tekort is geschoten. 3.5 Bij de hiervoor geschetste stand van zaken valt in een bodemprocedure op meerdere gronden of om meerdere redenen het oordeel te verwachten dat [Gedaagde] onder gelijktijdige benoeming van een vervanger zal worden ontheven van of uit haar taak als executeur testamentair in de nalatenschap en dat [Gedaagde] zal worden veroordeeld of bevolen tot het doen afleggen van deugdelijke en volledige rekening en verantwoording (aan in elk geval [Eisers] en die vervanger) over de periode dat [Gedaagde] als executeur testamentair het beheer heeft gevoerd over de nalatenschap. De thans door [Eisers] onder b., c. en d. gevorderde voorzieningen zullen daarom worden toegewezen als na te melden, waarbij geldt dat [Eisers] hebben verklaard dat de door hun primair beoogde vervangende executeur heeft verklaard bereid te zijn om als zodanig benoemd te worden. Al het vorenstaande brengt met zich dat alle overige stellingen van partijen op dit onderdeel verder - wat van de inhoud daarvan ook zij - onbesproken kunnen blijven. 3.6.1 Wat betreft de door [Eisers] verzochte ontruiming wordt het volgende overwogen. Zoals hiervoor reeds overwogen oordeelt het Gerecht het voorshands aannemelijk dat [Eiseres 1] voor 50% vol (dat wil zeggen juridisch en economisch) gerechtigd is tot de woning en alles wat door het perceel waarop die woning is gebouwd wordt nagetrokken (denk in dit verband aan de op dat perceel gebouwde appartementen). Uit het enkele feit dat - zo het Gerecht begrijpt - van de nalatenschap deel uitmakende Nagtegaal Holding B.V. de bouwkosten van die appartementen volgens [Gedaagde] heeft gedragen, volgt zonder nadere uitleg - die ontbreekt - nog niet dat die B.V. economisch gerechtigd was tot die appartementen en dat het vruchtgebruik van [Gedaagde] daarom ook ziet op de huuropbrengsten van bedoelde appartementen. Uit dit één en ander leidt het Gerecht voorshands af dat [Eiseres 1] voor 50% vol gerechtigd is tot de woning en bedoelde appartementen, en dat het vruchtgebruik van [Gedaagde] alleen ziet op de aan de erven toebehorende overige 50% van de woning en bedoelde appartementen. 3.6.2 Afweging van de betrokken belangen van partijen tegen voormelde achtergrond en de omstandigheid dat het Gerecht het voorshands niet aannemelijk oordeelt dat [Gedaagde] niet woonachtig is in de woning of op bedoeld perceel brengt met zich dat het Gerecht geen zwaarwegender belangen ziet van [Eisers] bij toewijzing van hun ontruimingsvordering ten opzichte van de belangen van [Gedaagde] bij afwijzing daarvan. Dit klemt temeer omdat na aanstelling van de vervangende executeur een spoedige verkoop van bedoeld onroerend goed valt te verwachten. [Eiseres 1] kan alsdan wellicht overgaan tot aankoop van het overige niet aan haar toebehorende deel van de woning en de appartementen, hetgeen zij overigens al vanaf de totstandkoming van bedoelde vaststellingsovereenkomst had kunnen doen. 3.7 In de uitkomst van deze procedure, partijen zijn over en weer deels in het (on)gelijk gesteld, ziet het Gerecht grond om de proceskosten te compenseren tussen partijen, aldus dat ieder van hen de eigen kosten draagt. 4DE UITSPRAAK Het Gerecht, rechtdoende in kort geding: -schorst [Gedaagde] met onmiddellijke ingang als executeur testamentair in de nalatenschap van wijlen [naam erflater]; -benoemt met onmiddellijke ingang voor de duur van voormelde schorsing de in Aruba gevestigde en kantoorhoudende advocaat mr. [naam advocaat] (telefoonnummer [#] ) als executeur testamentair in de nalatenschap van wijlen [naam erflater]; -beveelt [Gedaagde] om binnen 60 dagen na de betekening aan [Gedaagde] van dit vonnis rekening en verantwoording af te leggen (aan in elk geval [Eisers] en aan mr. [de advocaat] voornoemd) over de periode dat zij als executeur testamentair het beheer heeft gevoerd over voormelde nalatenschap, onder meer doch niet beperkt door het overleggen van alle stukken en documenten met betrekking de door [Gedaagde] q.q. op te doen stellen boedelbeschrijving van die nalatenschap, waaronder doch niet beperkt en zo voorhanden: eigendomsdocumenten, taxatierapporten, aandeelhoudersregisters, oprichtingsakten, bankafschriften, belastingaangiften, aandelenwaarderingen, jaarrekeningen en alle overige relevante informatie die van belang is of kan zijn met betrekking tot de door [Gedaagde] af te leggen rekening en verantwoording; -bepaalt dat [Gedaagde] ten behoeve van [Eisers] een dwangsom verbeurt van Afl. 750,-- voor iedere dag of deel daarvan dat [Gedaagde] voormeld bevel niet opvolgt, met dien verstande dat [Gedaagde] te dezen maximaal Afl. 300.000,-- aan dwangsommen kan verbeuren; -verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; -compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, aldus dat ieder van hen de eigen kosten draagt; -wijst af het meer of anders verzochte. Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op woensdag 20 september 2017.