GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA S T R A F V O N N I S in de zaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1981 in [geboorteplaats], wonende in [woonplaats], thans alhier gedetineerd. 1Onderzoek van de zaak Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2018. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman, mr. B.A.R. Heinze. De officier van justitie, mr. E.D. Schwengle, heeft ter terechtzitting gevorderd de verdachte ter zake van het meer subsidiaire feit te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest en met de bijzondere voorwaarde dat hij zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens de Stichting Reclassering en Jeugdbescherming Aruba, ook als die inhouden het werken aan zijn verslavingsproblematiek alsmede het volgen van een agressie regulatie training (ART). De raadsman heeft het woord tot verdediging gevoerd aan de hand van de door hem overgelegde pleitaantekeningen. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is, met inachtneming van de gevorderde en toegewezen wijzigingen, tenlastegelegd: dat hij op 22 juli 2017 in Aruba, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, - met kracht met zijn beide handen die [slachtoffer] heeft vastgepakt en - vervolgens een handdoek doordrenkt met ammoniak, althans ammonia, althans een bijtende vloeistof, tegen de neus en de mond, althans het gezicht, van die [slachtoffer] heeft geplaatst en gedurende enige tijd geplaatst heeft gehouden en - vervolgens twee vingers in de mond van die [slachtoffer] heeft gestopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; althans indien ten aanzien van het vorenstaande geen veroordeling mocht kunnen volgen dat hij op 22 juli 2017 in Aruba, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk heeft toegebracht, door opzettelijk - met kracht met zijn beide handen die [slachtoffer] vast te pakken, - een handdoek doordrenkt met ammoniak, althans ammonia, althans een bijtende vloeistof, tegen de neus en de mond, althans het gezicht, van die [slachtoffer] te plaatsen en gedurende enige tijd geplaatst te houden, - twee vingers in de mond van die [slachtoffer] te stoppen; althans indien ten aanzien van het vorenstaande geen veroordeling mocht kunnen volgen dat hij op 22 juli 2017 in Aruba, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk toe te brengen, met dat opzet - met kracht met zijn beide handen die [slachtoffer] heeft vastgepakt en - vervolgens een handdoek doordrenkt met ammoniak, althans ammonia, althans een bijtende vloeistof, tegen de neus en de mond, althans het gezicht, van die [slachtoffer] heeft geplaatst en gedurende enige tijd geplaatst heeft gehouden en - vervolgens twee vingers in de mond van die [slachtoffer] heeft gestopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; althans indien ten aanzien van het vorenstaande geen veroordeling mocht kunnen volgen dat hij op 22 juli 2017 in Aruba, met voorbedachten rade [slachtoffer] heeft mishandeld door - met kracht met zijn beide handen die [slachtoffer] vast te pakken en - vervolgens een handdoek doordrenkt met ammoniak, althans ammonia, althans een bijtende vloeistof, tegen de neus en de mond, althans het gezicht, van die [slachtoffer] te plaatsen en gedurende enige tijd geplaatst te houden en - vervolgens twee vingers in de mond van die [slachtoffer] te stoppen. 3Voorvragen Het gerecht heeft vastgesteld dat de dagvaarding aan alle wettelijke vereisten voldoet en dus geldig is, dat zij bevoegd is van het tenlastegelegde kennis te nemen, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4Bewijsbeslissingen A. Vrijspraak Het gerecht heeft uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging bekomen dat de verdachte het primair noch het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en zal de verdachte daarvan vrijspreken. B. Bewezenverklaring Het gerecht heeft uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat het bewezen acht: dat hij op 22 juli 2017 in Aruba, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet - met kracht met zijn beide handen die [slachtoffer] heeft vastgepakt en - vervolgens een handdoek doordrenkt met ammoniak, althans ammonia, althans een bijtende vloeistof, tegen de neus en de mond, althans het gezicht, van die [slachtoffer] heeft geplaatst en gedurende enige tijd geplaatst heeft gehouden en - vervolgens twee vingers in de mond van die [slachtoffer] heeft gestopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, zoals doorgestreept in de tekst, is niet bewezen, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. Voor zover in de telastlegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring cursief weergegeven verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging. 5Bewijsmiddelen De overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de wettige bewijsmiddelen zijn vervat. De bewijsmiddelen zullen in geval van hoger beroep in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen. Bewijsoverwegingen De verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat hij geen opzet had om aangeefster zwaar lichamelijk letsel aan te brengen en dat hij enkel een grapje met aangeefster wou uithalen en haar alleen wou laten schrikken door het doekje met ammonia tegen haar neus en mond te houden. Als zwaar lichamelijk letsel wordt aangemerkt elk lichamelijk nadeel dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. De verdachte heeft twee vingers in de mond/keel van aangeefster gestopt en gedurende enige tijd een doek met ammonia tegen de mond en de neus van aangeefster geplaatst gehouden. Ammonia is in een geconcentreerde vorm een bijtende stof. Hoewel niet is komen vast te staan of de gebruikte ammonia in een zodanige concentratie aanwezig was dat gesproken kan worden van een bijtende vloeistof, roept naar algemene ervaringsregels het gedurende enige tijd duwen van een doek met ammonia op het gezicht van een slachtoffer de aanmerkelijke kans in het leven dat die vloeistof onherstelbare schade van de ogen kan veroorzaken en daardoor aan dat slachtoffer zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht. Ook het steken van twee vingers in de keel van een slachtoffer kan zwaar lichamelijk letsel veroorzaken. Nu het algemene ervaringsregels betreft heeft een ieder – en dus ook de verdachte – wetenschap van het bestaan van deze aanmerkelijke kans. Het in het gezicht van aangeefster geplaatst houden van de doek met ammonia door de verdachte en het steken van twee vingers in de keel/mond van aangeefster is naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het bewerkstelligen van zwaar lichamelijk letsel, dat hieruit volgt dat de verdachte die aanmerkelijke kans ook heeft aanvaard. Van contra-indicaties waaruit zou blijken dat de verdachte die aanmerkelijke kans niet heeft aanvaard, is niet gebleken. Het gerecht komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat de verdachte door dit handelen de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat aangeefster zwaar lichamelijk letsel zou bekomen. Aangeefster heeft door de aanval ook letsel opgelopen, maar dit is niet te kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel, waardoor het bij een poging van de verdachte is gebleven. Gelet op het voorgaande acht het gerecht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het meer subsidiair tenlastegelegde. 6Kwalificatie en strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: meer subsidiair: poging tot zware mishandeling, strafbaar gesteld bij artikel 2:275 jo artikel 1:119 van het Wetboek van Strafrecht. Het bewezenverklaarde is strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid ervan opheffen of uitsluiten. 7Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid opheffen of uitsluiten. 8Oplegging van straf of maatregel Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht het gerecht na te noemen beslissing passend. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van zijn vroegere echtgenote in haar woning. Deze laffe aanval is een ernstig feit. De verdachte heeft hiermee een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangeefster. Het gepleegde feit is voor aangeefster een zeer schokkende gebeurtenis geweest die bij haar grote gevoelens van angst en onveiligheid heeft veroorzaakt. Oplegging van een vrijheidsontnemende straf is op zich geïndiceerd. Bij haar oordeel over de op te leggen straf betrekt het gerecht de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze blijken uit het over hem uitgebrachte reclasserings- en psychologisch rapport. Tevens houdt het gerecht er rekening mee dat verdachte blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel Justitiële Documentatie eerder wegens bedreiging en mishandeling is veroordeeld. Alles afwegende kan niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan gevangenisstraf van na te melden duur. Het gerecht zal een deel van deze straf voorwaardelijk opleggen teneinde verdachte in te scherpen zich gedurende de proeftijd niet weer aan misdrijf schuldig te maken. 9Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is mede gegrond op de artikelen 1:19, 1:20, 1:21, 1:22 en 1:62 van het Wetboek van Strafrecht. 10Beslissing Het gerecht: verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde zoals in rubriek 4A omschreven heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij; verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde feit zoals hierboven bewezen geacht heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt verdachte daarvan vrij; verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte hiervoor strafbaar; kwalificeert het bewezenverklaarde als hierboven omschreven; veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van DRIEHONDERD EN ZESTIG
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.