Uitspraak van 8 januari 2018 AUA201701421 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA UITSPRAAK op het beroep in de zin van de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van: [appellante], in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige [kind] wonende te Aruba, APPELLANTE, gemachtigden: [vader], de vader van de minderjarige, en mr. S.C. Larmonie, advocaat te Curaçao, gericht tegen: de minister van Onderwijs en Gezin, zetelende in Aruba, VERWEERDER, gemachtigde: mr. J.O. Senchi (DWJZ). 1PROCESVERLOOP Bij schrijven van 25 april 2017 heeft de Scol Basico Washington het verzoek van appellante om het MAVO-schooladvies van haar dochter [kind] te heroverwegen, afgewezen. Daartegen heeft appellante bezwaar gemaakt bij de Inspectie van het Onderwijs. Naar aanleiding hiervan heeft appellante een emailbericht van 30 mei 2017 van de Inspecteur van het Onderwijs ontvangen. Tegen dit emailbericht heeft appellante op 7 juli 2017 beroep ingesteld bij het gerecht. Het beroep is op behandeld ter zitting van 13 november 2017, alwaar is verschenen verweerder bij zijn gemachtigde voornoemd. De uitspraak is nader bepaald op heden. 2OVERWEGINGEN 2.1 Ingevolge artikel 2, eerste lid van de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) wordt in deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen verstaan onder beschikking: een op enig rechtsgevolg gericht schriftelijk besluit van een bestuursorgaan. 2.1.1 Ingevolge het tweede lid onder f zijn van het begrip beschikking onder meer uitgezonderd besluiten, houdende een beoordeling van het kennen of kunnen van iemand die te dier zake is geëxamineerd of op enigerlei andere wijze is getoetst. 2.1.2 Ingevolge artikel 9 kan degene die door een beschikking rechtstreeks in zijn belang is getroffen, het bestuursorgaan verzoeken de beschikking in heroverweging te nemen, tenzij deze op bezwaar is genomen. 2.1.3 Ingevolgde artikel 23, eerste lid van de Lar kan degene die rechtstreeks in zijn belang is getroffen door een op een bezwaarschrift genomen beslissing als bedoeld in de artikelen 12, eerste lid, 14, tweede lid, of 20, daartegen beroep instellen bij het Gerecht. 2.2 Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat het e-mailbericht van 30 mei 2017 een beschikking is op het ingediend bezwaarschrift en heeft daartegen beroep ingesteld. 2.2.1 Bij voormeld e-mailbericht van 30 mei 2017 heeft de Inspecteur van het Onderwijs appellant sub 1 als volgt te kennen gegeven: “Na grondig onderzoek en navraag bij de Dienst Publieke scholen (DPS), waaronder Washington school valt, adviseer ik u om uw klacht schriftelijk per omgaande naar de Minister van Onderwijs te sturen. Van DPS heb ik een schrijven ontvangen dat uw dochter niet heeft voldaan aan de norm voor de zaakvakken en daarom niet toegelaten werd tot het maken van de toelatingstoets. Ik heb de volste begrip voor uw situatie en in mijn functie als Inspectie heb ik daarom nader onderzoek gedaan en zal de minister adviseren in deze. Zodra het bekend wordt wat de beslissing wordt u geïnformeerd”. 2.2.2 Het gerecht is van oordeel dat dit e-mailbericht gegeven de bewoordingen daarvan, geen beslissing op het bezwaar van appellante behelst zodat daartegen geen beroep kan worden ingesteld. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. 2.3 Het gerecht overweegt ten overvloede dat een beslissing op bezwaar in het onderhavige geval tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar zou moeten strekken. Het schooladvies behelst, zoals in de uitspraak van 11 juli 2017 (AUA201701420) door de voorzieningenrechter is geoordeeld, een beoordeling van het kennen of kunnen - van [kind] - in de zin van artikel 2, tweede lid, onder f van de Lar. Dit houdt in dat op grond van de Lar daartegen niet in rechte kan worden opgekomen. 3BESLISSING De rechter in dit gerecht: - verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze beslissing werd gegeven door mr. D.J. Jansen, rechter in dit gerecht, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op maandag, 8 januari 2017 in aanwezigheid van de griffier. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 53a LAR). Het hoger beroep wordt ingesteld binnen zes weken na de dag waarop de beslissing op het beroep is gedagtekend. De instelling van het hoger beroep geschiedt door indiening bij de griffie van het Gerecht van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 53b LAR).
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.